Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label spuwers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label spuwers. Alle posts tonen

maandag 31 augustus 2026

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais te Le Montet (Allier 03)

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais 
te Le Montet


Geschiedenis.
De heuvel van Le Montet was in de 11e eeuw de zuidelijkste grens van het domein van de heren van Bourbon die in deze periode hun bezittingen in het noordoosten uitbreidden rond Souvigny en Bourbon-l'Archambault.  Zij hadden deze uitloper van de heuvels van Combrailles bereikt vanwaar ze een volgende uitbreiding naar de Auvergne toe kon voorbereiden.  Zij hadden er hun geliefde verblijfplaats in die zin dat Archambault II als heer van Bourbon er in 1078 stierf en door zijn nakomelingen de naam van Archambault du Montet had gekregen.  Het is deze die de kerk van Le Montet stichtte en waarin hij begraven werd.  Zijn zoon Archambault II die in 1095 stierf, had zijn vaders stichting verder verrijkt en er een priorij gesticht onder het patronaat van Saint-Michel en die de naam Montet-aux-Moines had aangenomen.
De priorij van Montet-aux-Moines nam snel aan belang toe.  In 1095 verbleef paus Urbanus II er tijdens zijn beroemde reis naar de Auvergne en die het besluit nam van de eerste kruistocht.  Het is door een bull gedateerd te Le Montet op 13 september 1095, minstens 15 dagen voor het concilie, dat de Franse paus de tijdelijke macht van de priorij van Souvigny bevestigde waar hij de overbrenging van de resten van Saint-Mayeul ging inwijden.
Andere teksten van de middeleeuwen  bevestigen de uitstraling welke de priorij van Le Montet had.  Het is ook naar hier dat gedurende een jaar in 1152-1153 de abt van Vézelay, Pons de Montboissier, vluchtte nadat hij door een opstand van de burgers verjaagd was uit zijn abdij.  Le Montet werd zelfs gedurende een paar maanden het hoofdkwartier van zijn intriges om van de paus de priorij van Souvigny te verkrijgen.  Het is met deze gebeurtenissen dat men moet teruggaan van de aanhechting van Le Montet bij de verre abdij van Saint-Michel de Cuse in Piëmonte.  Pons de Montboissier behoorde tot een familie uit de Velay die de gunst mocht ontvangen de abdij van Cuse gesticht te hebben en waarvan zijn familie de begunstiger was.
Tijdens deze periode, in het midden van de 12e eeuw, werd de kerk waarvan we nu nog de overblijfselen zien, afgewerkt.  Hierbij moet men zich een gebouw voorstellen van de drie nog bestaande traveeën van het schip, een vierde travee op de plaats van het nu moderne koor, vervolgens een uitstekend transept voorzien van een absidiool aan elke arm en tenslotte een diep koor beëindigd door een rondgang van zeven zuilen met daarrond een uitgestrekt kooromgang met vijf st'raalkapellen.  Dit verspreid plan met vijf straalkapellen tijdens de Romaanse periode voor belangrijke gebouwen, was dit van de Romaanse kerk te Souvigny zoals de overblijfselen aanduiden die men heeft teruggevonden in het midden, met de toevoegingen van de 15e eeuw.
De nauwe verwantschap tussen beide constructies blijkt uit hun ongeveer dezelfde samenstelling die te Le Montet wel iets meer gedrongen was.  Toen de uiterste muur van het transept nog overeind stond in 1892 was deze in zijn binnenste gedeelte voorzien van twee rondbogen omkaderend een mijterboog met daarboven twee verwante vensters.  Het is een gemeenschappelijke samenstelling die men in alle grote Romaanse kerken kan bemerken in het diocees van Clermont, meer bepaald in het zuiden van de Bourbonnais zoals te Chantelle en te Ebreuil en welk men te Souvigny gemakkelijk kan reconstrueren ondanks de gedane veranderingen aldaar in het transept toen men de doodskapel aanlegde voor Louis II de Bourbon.  Eveneens zoals te Souvigny waren de absidiolen te Le Montet gestut door zuilen als steunbeer en op middelste hoogte versierd met een band van staafvormige kanteelversiering.
In de 14e eeuw zette het verval zich in toen de hertogen van Bourbon de kerk veranderden in een versterkte vesting.  De kerk werd een verdedigingspost tijdens de Honderdjarige Oorlog tegen de troepen van de Zwarte Prins die vanuit de Marche en de Limagne kwamen.  Deze grenspositie waaraan  Le Montet was veroordeeld, zette zich verder door in perioden van troebelen zoals bij de Ligue du Bien public of de Praquerie.  Het gebouw werd aldus versterkt op een ongekend tijdstip maar dit moet laat geweest zijn, ergens in de loop van de 15e eeuw en moet teruggaan naar de periode van de oorlog du Bien public als men zich baseert op de gebleven constructie aan de noordelijke steunmuur met de accoladebogen van de machicoulis.  Deze versterkingen vormden een rondgang op de zijbeuken met bijkomende verheffingen aan de steunmuren.
Een eeuw later werd in 1567 de kerk in brand gestoken door de protestantse troepen die na hun succes in de vallei van Cognat terug naar de Berry trokken en al de versterkte plaatsen in de heuvels van Combrailles vernielden.  Het kooreinde en de gevel hadden hieronder het meeste te lijden die men trachtte te herstellen.  Een nieuw verblijf voor de prior werd opgericht tegen de beschadigde gevel.  De restauratiewerken in de 17e en 18e eeuw waren onvoldoende zodat het kooreinde tot een ruïne was vervallen, de gewelven van het schip waren ingestort en het hoge dak dat tegen de steunmuren drukte, bedreigde van wat nog recht stond.  In 1865 besliste men om een apsis en 2 absidiolen op te richten die we vandaag nog zien en het gebouw werd in 1889 geklasseerd.  De architect besliste om de gewelven in lichte materialen te reconstrueren, zoals ze aanvankelijk moesten geweest zijn.  Hij herschikte de gevel en zette alles terug op zijn plaats zoals met de sluitstenen van het oude portaal.  In 1903 verhief men aan de zuidelijke hoek van de gevel een grote klokkentoren met materialen die afkomstig waren van het grote romaanse koor.

Beschrijving.
Van het uitgestrekte bouwwerk uit de tweede helft van de 12e eeuw, dat bestond uit een transept met aan elke arm een absidiool en een koor omgeven door een kooromgang met straalkapellen, vergelijkbaar met die van La Chantelle, zijn slechts vier traveeën van het schip bewaard gebleven, voorzien van zijbeuken. De huidige halfronde apsis en de twee absidolen die deze flankeren, werden in 1871 door de architect Moreau van Moulins opgetrokken op de plaats van het voormalige transept.  In die periode werd de voorgevel heringericht en op de noordhoek ervan werd een hoge klokkentoren in gotische stijl, met daarboven een terras, opgetrokken naar de plannen van Lassus.
Het schip, dat geen directe verlichting heeft, wordt overdekt door een gebroken tongewelf op gordelbogen; de grote gebroken boogreeksen rusten op vierkante pijlers die worden geflankeerd door zuilen.  De kapitelen zijn grotendeels versierd met elegante rankwerk met parels en palmetten die lijken op die in Saint-Menoux en in het transept van Souvigny.  Andere zijn versierd met rijen gedrongen figuren, zonder reliëf, die lijken op de door de Auvergne geïnspireerde figuren in de kerken van Bourbon, Souvigny en Yzeure. De basissen met twee voetringen rusten op achthoekige sokkels, waarvan sommige halverwege versierd zijn met een rij parels, net als in Buxières en Saint-Menoux.  De zuidelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke kwartcirkelgewelf behouden, dat wordt gedragen door gordelbogen die ter hoogte van de pijlers rusten op zuilen met kapitelen.  De noordelijke zijbeuk werd in de 15e eeuw voorzien van een kruisribgewelf met prismatische ribben en opengewerkte sluitstenen.


























Aan de buitenzijde werd het portaal gerestaureerd in de 19e eeuw,welk zich opent onder een archivolt in rondboog met een decor van eivormige versiering dat onderlijnd wordt door een rij van parels, welk aan iedere zijde terugvalt op een kapiteel met rankenversiering.  Deze bekroont een voetmuur die eveneens overvloedig versierd werd met links vervlochten draden en rechts met een brede meanderversiering.  De binnenste booggordingen rusten op bijna volledig herdane colonnetten maar waarbij de versiering overvloedig is met kabelmotief, bloempjes, ineengevlochten lintvormige versiering met parels.  Deze bootsen met een grote kracht het aspect na wat het oorspronkelijke ontwerp kon geweest zijn.  Nog meer dan het Bourgondische schijnen zich hier enkele tradities van versiering van het Romaanse Italië te manifesteren temeer door de afhankelijkheid van de priorij van een abdij uit Piëmont zou dit een voldoende uitleg zijn.



















Aan de buitenzijde is er verder niets interessants meer te vermelden zij het dan het defensieve metselverband die de noordelijke gootmuur bekroont die een rondgang inhield met machicoulis gedragen door kraagstenen.  Eveneens zijn kleine kanongaten doorbroken in het metselwerk.
In 1897 stonden er achter het huidige koor nog overblijfselen van het zuidelijke kruisbeuk van het oorspronkelijke transept; de achtermuur was, net als in Souvigny, Chantelle, Sainte-Croix de Gannat en Ebreuil, versierd met twee blinde rondbogen, gedragen door zuiltjes en gescheiden door een mijterboog, volgens het ontwerp dat gebruikelijk is bij de grote romaanse kerken van de school van de Auvergne; daarboven bevonden zich twee ramen.  Aan de buitenkant werd de absidiool ondersteund door steunbeer-zuilen, die halverwege, net als bij de koorzijdes van Souvigny en Saint-Menoux, werden omcirkeld door de rij van staafvormige kanteelversiering die over de muur liep.

Bronnen.
- Jean Dupont in Nivernais - Bourbonnais roman in Editions Zodiaque; la Nuit des Temps 45; Abbaye Sainte-Marie-de-la-Pierre-qui-vire 1976.
- Bruno Philip in "Auvergne romane"; Editions Faton, Dijon 2013.
- Marcel Géneremont en Pierre Pradel in "Eglises de France; Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1934.





Bijlagen.

donderdag 30 juli 2026

Eglise Notre-Dame te Nuaillé-sur-Boutonne (Charente-Maritime 17)

 Eglise Notre-Dame 

te Nuaillé-sur-Boutonne





Beschrijving.
Niet ver van Aulnay lag deze kerk, zetel van een eeuwigdurend vicariaat, in het voormalige bisdom Saintes.  Er is weinig documentatie over bewaard gebleven, waardoor ze alleen nog kan worden bestudeerd aan de hand van haar architectuur – die flink te lijden heeft gehad – en haar versieringen.  
De plattegrond is zeer eenvoudig met een rechthoek van vijf traveeën die in het oosten uitkomt in een apsis.  Het verdwijnen van de klokkentoren, die oorspronkelijk op de laatste travee vóór de apsis stond, houdt ongetwijfeld verband met de gebeurtenissen tijdens de godsdienstoorlogen.  Als getuigen hiervan zijn nog een oude trap overgebleven, die in de dikte van de noordmuur is uitgespaard – die dikker is dan de andere muren – evenals de versteviging van de binnenste zuilen die op de steunmuren staan, terwijl vier traveeën van het schip direct tegen de muur aanleunen. 




Aan de buitenkant zijn alleen de zuiltjes van de eerste zuidelijke venster van het schip voorzien van met beeldhouwwerk versierde kapitelen – links twee tegenover elkaar staande griffioenen, rechts vogels die op de ruggen van leeuwen zitten –, terwijl binnen de kapitelen van de grote zuilen, die geen stenen gewelf meer ondersteunen, allemaal versierd zijn. De plantenversieringen op de meeste kapiteellichamen zijn te vergelijken met de  florastudies van Aulnay.  Twee kapiteellichamen vallen op: het ene door de afbeelding van twee mollige maskers met rechtopstaande haarlokken, een motief dat ook in de uitstraling van Aulnay geliefd was, het andere, dat nog uitzonderlijker is, door zijn twee merkwaardige zonnen met menselijke gezichten.  













Het is echter het portaal dat, met zijn iconografische programma en zijn rijke plastische vormgeving, meteen de aandacht van de bezoeker trekt.  De zeer sobere westgevel benadrukt door het contrast juist de schittering van dit gebeeldhouwde geheel, dat al aanleiding heeft gegeven tot talrijke analyses.  Rechts van het portaal valt een sarcofaag op die onderaan de muur is ingebouwd, compleet met deksel; dit is het enige detail dat door zijn vreemdheid de blik verstoort.  Het portaal is een rondboog met twee booglijsten, bekroond door een bandlijst.  De zijpijlers bestaan uit twee zuiltjes aan elke kant – waarvan de buitenste een spiraalvormige vorm heeft – gescheiden door een gecanneleerde pilaster.  De kapitelen worden bekroond door een brede impostband die zich aan weerszijden van het portaal verlengt tot aan de zuilen die de gevel omlijsten. Alle onderdelen van dit geheel zijn bedekt met beeldhouwwerk, met uitzondering van de binnenzijde van de booglijsten.













De booglijsten ontvouwen zich in een reeks stralende figuren, met uitzondering van de buitenste band, die – net als de bovenband – wordt gevuld met figuren die in de lengterichting van de fries liggen. De tweede, rijkst versierde booglijst, die uit 27 sluitstenen bestaat, toont een reeks taferelen uit de kindertijd van Christus, een thema dat in Saintogne zelden zo volledig – hoewel nog onvolledig – is uitgewerkt.  Alleen de kerk van Mauzé-sur-le-Mignon bewaart enkele overblijfselen van een dergelijke cyclus.  We weten echter dat er een cyclus over de kindertijd te zien was op een verdwenen fries aan de gevel van de Abbaye-aux-Dames in Saintes, maar dit mogelijke regionale voorbeeld is er niet meer om een vergelijking te maken.
De wanorde in de scènes die op de booglijst zijn afgebeeld, is door iedereen die er commentaar op heeft gegeven benadrukt. Zo bevindt de Aankondiging, waarmee de cyclus normaal gesproken begint, zich in de rechterhelft, maar vrij dicht bij het midden van de boog. De aartsengel, die het kruis vasthoudt – symbool van de Passie en de Triomf van Christus – staat tegenover Maria, en beiden bevinden zich onder de kleine parelbogen die de woning van de Maagd voorstellen.  Rechts van deze scène krijgt de slapende Jozef bezoek van een engel, die hem de maagdelijke conceptie van Jezus uitlegt. Geen Bezoek aan Maria, geen Geboorte van Christus, noch Aankondiging aan de herders in deze merkwaardige samenstelling.  Het rechterdeel van de boog eindigt met een afbeelding van de drie koningen op hun tocht; steunend op hun staven lopen de drie koningen naar een engel toe, die de ster vervangt, hun gids.  Achter de engel staat een soldaat die misschien niets met de scène te maken heeft.  Als we vervolgens onze blik richten op de linkerkant van de boog, vanaf de top tot aan de scène van de Aankondiging, zien we een aangrijpende samenvatting van de Kindermoord in Bethlehem – een vrouw omhelst een kind terwijl ze tegenover twee soldaten van Herodes staat –, het bezoek van de drie wijzen aan Herodes in aanwezigheid van twee andere wachters, en vervolgens, na een met vlechtwerk versierd sluitsteen, de aanbidding van de drie wijzen – waarbij de ster in de vorm van een bloem is afgebeeld –, en ten slotte, ongetwijfeld in verband hiermee, een figuur met een staf in de hand, wellicht Jozef, en een vrouw. Dit alles lijkt nogal onsamenhangend, en sommige auteurs hebben zich afgevraagd of deze compositie niet het resultaat is van een herwerking.  De onderste booglijst vertoont een identieke structuur met zeventien sluitstenen, maar er speelt zich slechts één scène af.  Christus, in het midden, houdt het Boek vast.  De heilige Petrus, herkenbaar aan zijn sleutels, staat rechts van hem.  Aan weerszijden staan de apostelen bijeen, met tekstbanden in de hand, en ze lijken levendige discussies te voeren.
















De smalle bovenste booglijst die deze twee groepen bekroont, dient als steun voor figuren van engelen met wierookvaten die in de ronding van de boog zijn ingepast, terwijl op de booghoofden aan de ene kant een engelenbuste en aan de andere kant een masker dat slangen uitspuugt, zijn geplaatst.


Op de fries, aan weerszijden van het portaal, zien we links een gehurkte man, omringd door draken, een basilisk en leeuwen.  Rechts trekt een liggende vrouw de aandacht. Ze is gekleed in een elegante jurk met geplooide mouwen en kraag, en doet door haar houding denken aan de beroemde Eva van Autun.  Tegenover haar staat een kleiner figuur dat wellicht kan worden geïdentificeerd als de Gierigaard, met zijn beurs om de nek.  Met deze laatste figuren hebben we wellicht te maken met zondaars en verdoemden.








Uit dit geheel komt een algemene indruk van rillingen en nerveuze onrust naar voren, ondanks de nog steeds verstijfde houdingen van de figuren.  De bijzondere weergave van de plooien is de belangrijkste oorzaak van dit effect.  De vallende draperingen boden de beeldhouwer de gelegenheid om de plooien te vermenigvuldigen en de rangschikking ervan te variëren. Opvallend zijn met name de ware „watervallen“ van van onderaf uitgeholde zwaluwstaartplooien – met name op de kleding van de figuren uit de Aanbidding der Wijzen – die absoluut gelijk zijn aan die van de jurk van de prinses op het kapiteel van Sint-Joris in de noordelijke absidiool van Aulnay.
De algemene opbouw van de draperieën van de figuren in Nuaillé moet overigens worden vergeleken met de werken aan het kooreinde van Aulnay. Hierdoor kan voor dit beeldhouwwerk een datering rond 1130-1140 worden voorgesteld.

Bronnen.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Aunis-Saintogne"; Geste éditions; La Crèche 2017.
- Christian Gensbeitel in "La sculpture romane en Saintogne"; Editeur Christian Pirot; 1998.
- Sophie Esla Goillot in "Guide des églises romanes; Charente-Maritime"; Editions le Passage des Heures; Saint-Savinien-sur-Charente 2013.




Bijlagen.