Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label abdijkerk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label abdijkerk. Alle posts tonen

maandag 31 augustus 2026

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais te Le Montet (Allier 03)

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais 
te Le Montet


Geschiedenis.
De heuvel van Le Montet was in de 11e eeuw de zuidelijkste grens van het domein van de heren van Bourbon die in deze periode hun bezittingen in het noordoosten uitbreidden rond Souvigny en Bourbon-l'Archambault.  Zij hadden deze uitloper van de heuvels van Combrailles bereikt vanwaar ze een volgende uitbreiding naar de Auvergne toe kon voorbereiden.  Zij hadden er hun geliefde verblijfplaats in die zin dat Archambault II als heer van Bourbon er in 1078 stierf en door zijn nakomelingen de naam van Archambault du Montet had gekregen.  Het is deze die de kerk van Le Montet stichtte en waarin hij begraven werd.  Zijn zoon Archambault II die in 1095 stierf, had zijn vaders stichting verder verrijkt en er een priorij gesticht onder het patronaat van Saint-Michel en die de naam Montet-aux-Moines had aangenomen.
De priorij van Montet-aux-Moines nam snel aan belang toe.  In 1095 verbleef paus Urbanus II er tijdens zijn beroemde reis naar de Auvergne en die het besluit nam van de eerste kruistocht.  Het is door een bull gedateerd te Le Montet op 13 september 1095, minstens 15 dagen voor het concilie, dat de Franse paus de tijdelijke macht van de priorij van Souvigny bevestigde waar hij de overbrenging van de resten van Saint-Mayeul ging inwijden.
Andere teksten van de middeleeuwen  bevestigen de uitstraling welke de priorij van Le Montet had.  Het is ook naar hier dat gedurende een jaar in 1152-1153 de abt van Vézelay, Pons de Montboissier, vluchtte nadat hij door een opstand van de burgers verjaagd was uit zijn abdij.  Le Montet werd zelfs gedurende een paar maanden het hoofdkwartier van zijn intriges om van de paus de priorij van Souvigny te verkrijgen.  Het is met deze gebeurtenissen dat men moet teruggaan van de aanhechting van Le Montet bij de verre abdij van Saint-Michel de Cuse in Piëmonte.  Pons de Montboissier behoorde tot een familie uit de Velay die de gunst mocht ontvangen de abdij van Cuse gesticht te hebben en waarvan zijn familie de begunstiger was.
Tijdens deze periode, in het midden van de 12e eeuw, werd de kerk waarvan we nu nog de overblijfselen zien, afgewerkt.  Hierbij moet men zich een gebouw voorstellen van de drie nog bestaande traveeën van het schip, een vierde travee op de plaats van het nu moderne koor, vervolgens een uitstekend transept voorzien van een absidiool aan elke arm en tenslotte een diep koor beëindigd door een rondgang van zeven zuilen met daarrond een uitgestrekt kooromgang met vijf st'raalkapellen.  Dit verspreid plan met vijf straalkapellen tijdens de Romaanse periode voor belangrijke gebouwen, was dit van de Romaanse kerk te Souvigny zoals de overblijfselen aanduiden die men heeft teruggevonden in het midden, met de toevoegingen van de 15e eeuw.
De nauwe verwantschap tussen beide constructies blijkt uit hun ongeveer dezelfde samenstelling die te Le Montet wel iets meer gedrongen was.  Toen de uiterste muur van het transept nog overeind stond in 1892 was deze in zijn binnenste gedeelte voorzien van twee rondbogen omkaderend een mijterboog met daarboven twee verwante vensters.  Het is een gemeenschappelijke samenstelling die men in alle grote Romaanse kerken kan bemerken in het diocees van Clermont, meer bepaald in het zuiden van de Bourbonnais zoals te Chantelle en te Ebreuil en welk men te Souvigny gemakkelijk kan reconstrueren ondanks de gedane veranderingen aldaar in het transept toen men de doodskapel aanlegde voor Louis II de Bourbon.  Eveneens zoals te Souvigny waren de absidiolen te Le Montet gestut door zuilen als steunbeer en op middelste hoogte versierd met een band van staafvormige kanteelversiering.
In de 14e eeuw zette het verval zich in toen de hertogen van Bourbon de kerk veranderden in een versterkte vesting.  De kerk werd een verdedigingspost tijdens de Honderdjarige Oorlog tegen de troepen van de Zwarte Prins die vanuit de Marche en de Limagne kwamen.  Deze grenspositie waaraan  Le Montet was veroordeeld, zette zich verder door in perioden van troebelen zoals bij de Ligue du Bien public of de Praquerie.  Het gebouw werd aldus versterkt op een ongekend tijdstip maar dit moet laat geweest zijn, ergens in de loop van de 15e eeuw en moet teruggaan naar de periode van de oorlog du Bien public als men zich baseert op de gebleven constructie aan de noordelijke steunmuur met de accoladebogen van de machicoulis.  Deze versterkingen vormden een rondgang op de zijbeuken met bijkomende verheffingen aan de steunmuren.
Een eeuw later werd in 1567 de kerk in brand gestoken door de protestantse troepen die na hun succes in de vallei van Cognat terug naar de Berry trokken en al de versterkte plaatsen in de heuvels van Combrailles vernielden.  Het kooreinde en de gevel hadden hieronder het meeste te lijden die men trachtte te herstellen.  Een nieuw verblijf voor de prior werd opgericht tegen de beschadigde gevel.  De restauratiewerken in de 17e en 18e eeuw waren onvoldoende zodat het kooreinde tot een ruïne was vervallen, de gewelven van het schip waren ingestort en het hoge dak dat tegen de steunmuren drukte, bedreigde van wat nog recht stond.  In 1865 besliste men om een apsis en 2 absidiolen op te richten die we vandaag nog zien en het gebouw werd in 1889 geklasseerd.  De architect besliste om de gewelven in lichte materialen te reconstrueren, zoals ze aanvankelijk moesten geweest zijn.  Hij herschikte de gevel en zette alles terug op zijn plaats zoals met de sluitstenen van het oude portaal.  In 1903 verhief men aan de zuidelijke hoek van de gevel een grote klokkentoren met materialen die afkomstig waren van het grote romaanse koor.

Beschrijving.
Van het uitgestrekte bouwwerk uit de tweede helft van de 12e eeuw, dat bestond uit een transept met aan elke arm een absidiool en een koor omgeven door een kooromgang met straalkapellen, vergelijkbaar met die van La Chantelle, zijn slechts vier traveeën van het schip bewaard gebleven, voorzien van zijbeuken. De huidige halfronde apsis en de twee absidolen die deze flankeren, werden in 1871 door de architect Moreau van Moulins opgetrokken op de plaats van het voormalige transept.  In die periode werd de voorgevel heringericht en op de noordhoek ervan werd een hoge klokkentoren in gotische stijl, met daarboven een terras, opgetrokken naar de plannen van Lassus.
Het schip, dat geen directe verlichting heeft, wordt overdekt door een gebroken tongewelf op gordelbogen; de grote gebroken boogreeksen rusten op vierkante pijlers die worden geflankeerd door zuilen.  De kapitelen zijn grotendeels versierd met elegante rankwerk met parels en palmetten die lijken op die in Saint-Menoux en in het transept van Souvigny.  Andere zijn versierd met rijen gedrongen figuren, zonder reliëf, die lijken op de door de Auvergne geïnspireerde figuren in de kerken van Bourbon, Souvigny en Yzeure. De basissen met twee voetringen rusten op achthoekige sokkels, waarvan sommige halverwege versierd zijn met een rij parels, net als in Buxières en Saint-Menoux.  De zuidelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke kwartcirkelgewelf behouden, dat wordt gedragen door gordelbogen die ter hoogte van de pijlers rusten op zuilen met kapitelen.  De noordelijke zijbeuk werd in de 15e eeuw voorzien van een kruisribgewelf met prismatische ribben en opengewerkte sluitstenen.


























Aan de buitenzijde werd het portaal gerestaureerd in de 19e eeuw,welk zich opent onder een archivolt in rondboog met een decor van eivormige versiering dat onderlijnd wordt door een rij van parels, welk aan iedere zijde terugvalt op een kapiteel met rankenversiering.  Deze bekroont een voetmuur die eveneens overvloedig versierd werd met links vervlochten draden en rechts met een brede meanderversiering.  De binnenste booggordingen rusten op bijna volledig herdane colonnetten maar waarbij de versiering overvloedig is met kabelmotief, bloempjes, ineengevlochten lintvormige versiering met parels.  Deze bootsen met een grote kracht het aspect na wat het oorspronkelijke ontwerp kon geweest zijn.  Nog meer dan het Bourgondische schijnen zich hier enkele tradities van versiering van het Romaanse Italië te manifesteren temeer door de afhankelijkheid van de priorij van een abdij uit Piëmont zou dit een voldoende uitleg zijn.



















Aan de buitenzijde is er verder niets interessants meer te vermelden zij het dan het defensieve metselverband die de noordelijke gootmuur bekroont die een rondgang inhield met machicoulis gedragen door kraagstenen.  Eveneens zijn kleine kanongaten doorbroken in het metselwerk.
In 1897 stonden er achter het huidige koor nog overblijfselen van het zuidelijke kruisbeuk van het oorspronkelijke transept; de achtermuur was, net als in Souvigny, Chantelle, Sainte-Croix de Gannat en Ebreuil, versierd met twee blinde rondbogen, gedragen door zuiltjes en gescheiden door een mijterboog, volgens het ontwerp dat gebruikelijk is bij de grote romaanse kerken van de school van de Auvergne; daarboven bevonden zich twee ramen.  Aan de buitenkant werd de absidiool ondersteund door steunbeer-zuilen, die halverwege, net als bij de koorzijdes van Souvigny en Saint-Menoux, werden omcirkeld door de rij van staafvormige kanteelversiering die over de muur liep.

Bronnen.
- Jean Dupont in Nivernais - Bourbonnais roman in Editions Zodiaque; la Nuit des Temps 45; Abbaye Sainte-Marie-de-la-Pierre-qui-vire 1976.
- Bruno Philip in "Auvergne romane"; Editions Faton, Dijon 2013.
- Marcel Géneremont en Pierre Pradel in "Eglises de France; Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1934.





Bijlagen.

vrijdag 22 mei 2026

Eglise abbatiale Saint-Pierre et Saint-Paul te Mozac (Puy-de-Dôme 63)

 Eglise abbatiale Saint-Pierre et Saint-Paul 

te Mozac








Geschiedenis.
De oorsprong van Saint-Pierre van Mozac gaat terug tot het einde van de 7e eeuw, als men tenminste geloof hecht aan het valse charter van Pepijn de Korte, uitgevaardigd in 1100 voor een echte charter van 848, die nu verloren is gegaan, van Pepijn van Aquitanië.  Volgens deze valse charter zou de abdij gesticht zijn door een zekere Romeinse senator, Calmin en zijn vrouw Namadie, onder de regering van de Merovingische koning Diederik III (673-691).  De legendarische omstandigheden van de stichting vermeldt eveneens de naam van de eerste superior van de gemeenschap, Euthère en het bestaan van koninklijke gunsten, bevestigd aan de nieuwe abdij door Diererik III en zijn zoon Clovis IV.
De eerste vaststaande vermelding van de benedictijnengemeenschap van Mozac dateert uit het midden van de 9e eeuw.  In de akte van Pepijn de Korte die in vraag wordt gesteld is de abdij geciteerd in een document van 864 die de abt Lanfroy vermeldt alsook in de Mirakels die de "Vita Prima van de heilige Austromoine" vergezelt, uitgegeven onder het abbatiaat van Lanfroy.
Wat betreft de latere geschiedenis van de abdij moet men rekening houden met een andere grootse gebeurtenis namelijk zijn gift aan de abdij van Cluny in 1095 of iets vroeger.  Deze gift, schenking, gedocumenteerd in een bischoppelijke charter van Durand, bisschop van Clermont, een koninklijk diploma van Filips I van 1095 en een pauselijke bull van Urbanus II eveneens in 1095, komt uit van de graaf van de Auvergne, Robert II en zijn zoon Willem VI.  Dit nieuwe statuut van de abdij bracht verschillende conflicten teweeg tussen de gemeenschap van Mozac met de bisschop van Clermont, met aan de andere kant de monniken van Mozac en de abdij van Cluny.
Het is in deze omstreden context dat verschillende documenten werden opgesteld waaronder de valse charter van 848 en de "Vita Tertia van de heilige Austremoine" met verschillende aanvullingen. 
Het aantal monniken is steeds onderhevig geweest aan schommelingen.  Dat waren er 45 in 1295, 50 in 1319, 24 in 1386, 17 in 1408.  Met de Revolutie werden deze verdreven.
De abdijkerk van Saint-Pierre van Mozac heeft verschillende, belangrijke wijzigingen ondergaan op het einde van de middeleeuwen.  Reeds in 1413 dateert waaraan Guillaume Revel de abdij van Mozac liet ontwerpen met zijn torenportaal die een bekroning met kantelen en merloenen verkregen en zo werd versterkt.  Dit verdedigingssysteem verdween tijdens de quasi algemene reconstructie van het gebouw rond het midden van de 15de eeuw door abt Raymond de Marcenac of tijdens de herstellingen die volgden op de aardbeving van 1490.  Deze verschillende werken leiden tot het opvullen en de gedeeltelijke afbraak van de crypte waarbij het merendeel van de gewelven verdwenen en de kranskapellen gedeeltelijk bewaard bleven, tot het verdwijnen van het kooreinde, het ongeveer volledige verlies van het transept waarvan een gedeelte van de muren en elementen van de 4 pijlers van de kruising, hergebruikt in de wanden van de traveeën die de apsis voorafgingen en enkele toevoegingen gebruikt voor gedeelten die in de voorgaande staat reeds bestonden.  De hoofdbeuk van het schip dat oorspronkelijk begiftigd was met tribunes werd teruggebracht op het niveau van de grote boogreeksen en voorzien van een overwelving waarvan niets geweten is.  De zuidelijke zijbeuk, versterkt met grote steunberen, werd begiftigd  met eenvoudige of paarsgewijze vensters die de romaanse rondbogen vervingen en met 2 portalen, de ene , de ene nu dichtgestopt aan de eerste travee, de andere aan de zesde, terwijl de steunen aan de achterzijde van het geheel min of meer verhoogd werden en enkele kapitelen vervangen.  
Het noordelijke portaal werd hersteld aan het bovenste gedeelte en men opende een portaal aan de hoofdzijde.  Een klokkentoren werd ingeplant terwijl een portaal en een kleine boog uitgewerkt werden aan de westelijke wand.
Van de moderne periode signaleren de archieven voornamelijk de onderhoudswerken.  Het merendeel van deze betreft de daken waarvan het gebinte is vernieuwd en/of de overdekkingen bij herhaalde hernemingen in de loop van de 17e en 18e eeuw hernomen.  De binnenzijde van de kerk werd volledig gewit met kalk in 1664.  Andere tussenkomsten werden geregelder herdaan zodanig dat in 1741 de vierdelige gotische gewelven in de hoofdbeuk van het schip en de rechte gedeelten van het kooreinde door Laurent en Charles Blanchier, meester metselaar van Riom.  De kloostergebouwen werden met de Revolutie ontmanteld.
De restauraties van Saint-Pierre van Mozac begonnen iets na zijn klassering door 'Monuments historiques' die reeds in 1839 begonnen.
Bij een eerste campagne geleid in de jaren 1840-1850 zette Malay zich in voor de werken van het gebinte en/of overdekking van het geheel van het schip en aan de 2 gotische kapellen, saneerde de noordelijke zijbeuk aangetast door het salpeter en vernieuwde de centrale zuil van de crypte dat hij ontdekt had onder de oostelijke delen van het gotische kooreinde.  
In de jaren 1900-1910 vernieuwde Ruprich Rogert de steunberen, overdekte de noordelijke trap van de westgevel, hernam de overdekking van het schip en verwijderde de onnodige constructies die aan de noordelijke flank van het schip werden toegevoegd, herstelde een deel van de boogreeks die floreerde op het niveau van de noordelijke tribunes, herdeek het zadeldak op het noordelijke portaal en verbreedde deze met 1 travee die nu ingewerkt is in de westelijke gevel van het schip waarvan zij het centrale gedeelte bezet en vormt een vooruitstekend deel van ongeveer 6,50m op 6,85m waarvan de wanden tot 1,40m dikte meten, en ontdeed de binnenzijde van de kerk van de bepleistering en zette de restauratie van de crypte verder.
Voor zijn deel herstelde Guéritte de openingen en het metselwerk van het klokkentoren-portaal, vernieuwde een groot deel van de daken en hernam de noordelijke wand van de grote noordelijke kapel in 1930.
In de jaren 1950-1960 wijdde Donzet zich aan de herstelling van het dakgebinte en/of overdekking van de zuidelijke zijbeuk, de grote zuidelijke zijkapel en het kooreinde, en restaureerde hij zelfs de steunberen.

Beschrijving.
Het architecturale gedeelte van het klokkentoren-portaal blijft zichtbaar ondanks de herwerkingen van de westelijke wand en het dichtmaken van het merendeel van de oorspronkelijke bogen.  
Van het vierkante plan, diep en breed van 1 enkele travee, is hij nu ingebouwd in de westelijke gevel van het schip waarvan deze het centrale gedeelte bezet vormt een uitstekend massief van ongeveer 6,50 op 6,85m waarbij de wanden tot 1,40m dikte meten.
Enkel de onderste 2 niveaus behoren tot de oorspronkelijke constructie maar de latere klokkentoren zou de originele samenstelling bewaren.  Het portaal, overdekt met een tongewelf waarvan de aanvang is benadrukt door een schuin afgewerkte bandlijst, opende zich waarschijnlijk op de buitenzijde langs 3 bogen en verschafte toegang tot het schip langs een portaal.  Enkel de boog in het noorden en zuiden gesitueerd bestaan nog terwijl de verankering van het portaal beperkt is.  De verdieping waarvan de oorspronkelijke toegang verdwenen is, is overdekt met een plankenvloer die de oorspronkelijke samenstelling zou kunnen hernemen.  Deze hield aanvankelijk een kapel in die zich aan de buitenzijde opende langs 3 bogen waarvan enkel de nu dichtgestopte noordelijke en zuidelijke bewaard zijn gebleven, en stonden met het schip in verbinding door een drieboog.  


De buitenzijde onderscheidt zich door zijn soberheid.  Naast de bogen is het enige architecturale element een horizontale bandlijst die de interne structuur weergeeft.  
De bogen, het portaal, de vensters of de drieboog kenmerken zich door hun monumentaliteit.  Zij zijn gevormd met een rondboog en licht in hoefijzer aan de drieboog die door de tussenkomst van imposten op de steunmuren rust en voor de drieboog op de kleine steunen van het rechthoekige plan.
Het klokkentorenportaal van Mozac, van afkomst van de Karolingische, westelijke massieven, behoort tot een architecturaal type over het algemeen vermeld op het einde van de 10de eeuw, of begin van de volgende eeuw zoals men ze eveneens aantreft te Saint-Vorles van Châtillon-sur-Seine, bij de kerk van Marcenay, te Saint-Germain-des-Près van Parijs, te Saint-Liphard van Meung en te Saint-Pierre van Chartres.  
Overeenkomstig de Pre-romaanse traditie die zich verderzette tot het ontluiken van de romaanse kunst, is het beeldhouwwerk bijna volledig afwezig.  De enige elementen zijn de imposten van de verschillende bogen.  Deze van de boogreeks op de benedenverdieping verwijden zich aan de terugval van de bogen en vormen bolle krullen op de hoeken van hun voorzijde.  In de dikte van de bogen vertonen deze voluten een cilinder met daarboven een bandlijst.  Vergelijkebare imposten vindt men terug op de noordelijke boog op de verdieping.  Van hun kant bieden de imposten van het portaal een soort van hollijst met hierboven een bandlijst terwijl deze van de drieboog eenvoudig van lijstwerk zijn voorzien dmv een bandlijst.
Wat betreft de constructie is het klokkentorenportaal voornamelijk opgericht in een gemengde techniek.  Enkel de voornaamste elementen zijn opgericht in maatstenen terwijl de wanden en gewelven over het algemeen gerealiseerd zijn in breukstenen in een zware mortellaag gelegen.  Twee bijzondere kenmerken verdienen de aandacht.  Het overvloedige gebruik van een groot metselverband aan de buitenzijde met sommige afmetingen van 1,94m op 0,56m en de merkwaardige afmetingen van de sluitstenen van de bogen die de ganse diepte van de boog gebruiken.  Men bemerkt eveneens dat de bogen van de boogreeks vol zijn.  Hier zou het gaan om een hergebruik van oorspronkelijke Gallo-Romeinse delen.
Het is moeilijk om een datering aan te brengen om reden van de afwezigheid van vergelijkbare elementen in de Auvergne.  Het schijnt nochtans zeker te zijn dat de kerk reeds een klokkentoren bezat in het midden van de 9e eeuw daar hij vermeld is in "les Miracles" die de "Vita Prima van de heilige Austremoine" volgen.


















Met de mooie uitstraling van de nabij 60m lengte voor een maximale breedte van 33m hernam de abdijkerk van Mozac het architecturale gedeelte van het merendeel van de kerken uit de Auvergne.  Dit omvatte een kooreinde met kooromgang en straalkapellen bovenop een crypte van hetzelfde plan, een uitstekend transept begiftigd met absidiolen en een lantaarntoren op een onregelmatig langwerpig massief, schip met zijbeuken met hierboven tribunes zoals een ontwerp getuigt van Guillaume Ravel, en nog enkele bestaande elementen van de verheffing.
Gedeeltelijk bewaard en vervormd door een moderne muur, houdt de crypte van Mozac een centrale zaal in omhuld met een muur van 2,35m dikte, een kooromgang waarop zich 4 straalkapellen openen waarvan het plan een hoefijzer vormt.  De toegang tot deze crypte was verzekerd langs 2 treden die in de hogere kerk vertrokken en op ieder uiteinde van de onderste kooromgang uitkwamen.  De centrale zaal met een ongeveer vierkant plan van ongeveer 6,40m lengte op een breedte van 6m, is onderverdeeld in 3 beuken die in verbinding stonden met nissen aan zowel de oostelijke als de westelijke zijde.  In het oosten omkaderden 2 halfronde nissen, een nis van het vierkante plan verlengd door een kleine afwijking die zich opent op de kooromgang langs een nauwe boog met dubbele insprong.
In het westen waar zich een put bevindt nemen 3 nissen een vierkant plan aan waarvan er nog één enkele bestaat namelijk deze in het noorden.  Twee zijdelingse doorgangen van 1,70m breed, in de as op de westelijke traveeën van de centrale zaal openen zich ruim op de kooromgang waarvan de wanden, door nauwe bogen in de rechte gedeelten zijn opengewerkt en egaal gelaten net zoals de straalkapellen.  Enkel de nissen van het halfronde plan aan de centrale zaal hebben hun halfkoepel bewaard.  De centrale zaal waarvan de gewelven geritmeerd waren door de bogen die terugvallen op 4 centrale colonnetten en aan de achterzijde van de muren op de schuin afgewerkte imposten was volgens Mallay overdekt met een dal.  








De crypte is, althans voor een gedeelte, als een ontwerp uit de 9e eeuw en is opgericht naar aanleiding van het overbrengen van de relieken van de heilige Astremoine.  Echter niets in de drie levens van de heilige Astremoine en in de vertellingen van de mirakels die deze vervolledigen, bewijzen het bestaan van een crypte te Mozac en geen enkel archeologische aanwijzing laat toe om het vroegere bestaan van een centrale zaal in overeenkomst met de kooromgang en zijn kranskapellen te bevestigen.  De "Vita Prima" preciseert enkel dat de heilige Astremoine in de "basilica van Mozac' was begraven terwijl "les Miracles" verbonden met "la Vita secunda" zijn mausoleum vermeldt en beschermt door een "Cancellum".  De eerste vermelding van de crypte verschijnt in een acte uit 1197 opgesteld ter gelegenheid van de erkenning van de relieken van de heilige Astremoine door de bisschop van Clermont.  De aanwezigheid van zware blokken in hergebruik in de centrale zaal, de doorgangen en de rechte delen van de kooromgang, de hoekverbindingen van de doorgangen naar de kooromgang spreken in het voordeel van deze vroege constructieperiode.  De kapitelen van de colonnetten van de centrale zaal zouden van hetzelfde vegetarische type zijn als de kapitelen van de bovenste kerk.  Alles verwijst naar de richting, dus dat de crypte van Mozac als een constructie uit de 12de eeuw, sterk geïnspireerd door de crypte van de kathedraal van Clermont-Ferrand waarvan zij de voornaamste architecturale verhoudingen en zelfs het type van de gebeeldhouwde kapitelen herneemt.  De breedte van de kooromgang was nabij de 2m, zoals de afsluiting van het travee van de kranskapellen en de pracht van hun ingang laat ons de crypte van Mozac overeenkomen met deze van Notre-Dame-du-Port en Orcival.
De restanten van het schip komen perfect overeen met het type van het merendeel van de andere kerken in de Auvergne.  De hoofdbeuk stelt grote boogreeksen voor  waarbij de bogen met scherpe hoeken het bovendeel van de gewelven van de zijbeuken vormen en de pijlers vertonen een asymmetrische sectie.  De zijbeuken zijn overwelfd met graatgewelven op gordelbogen die aan de achterzijde van de muren op de aangezette zuilen steunen.  Aan de buitenzijde was de noordelijke gootmuur, verlengd door de ontlastingsbogen die op de steunberen terugvallen, oorspronkelijk versierd in het bovenste gedeelte door een opeenvolging van boogreeksen die de rondbogen van de tribunes omsloten.  













Het noordelijke portaal, aan de derde travee van het schip gesitueerd, behoort niet aan een gemeenschappelijke formule van de grote kerken in de Auvergne.  Van het vierkante plan en waarschijnlijk van oorsprong overwelfd, opende deze zich oorspronkelijk in het noorden langs een hoge boogreeks waarvan enkel de boog, gegraveerd met een formule tot gebed, en de imposten nog bestaan terwijl in het zuiden de verbinding verzekerd was langs een meer gedrongen en sobere boog.  Dit portaal dat toegang verzekerd tot het schip, is omkaderd met colonnetten die een rondboog ontvangen.  









Een 48-tal kapitelen bevinden zich nog op hun plaats in de gedeelte uit de 12e eeuw.  Het merendeel behoort tot het schip terwijl enkele andere de vroegere viering van het transept of de centrale zaal van de crypte versierden.  
Hierbij vervoegen zich 4 kapitelen in de kerk uitgestald.  Een vegetarisch kapiteel is in de crypte geplaatst.  Het kapiteel "De Engelen van de Apocalyps" die de monding van de 4 windstreken afsluit, bevindt zich in het kooreinde en werd in 1983 ontdekt.  Twee andere kapitelen die de "Verrijzenis met het bezoek van de Heilige Vrouwen aan het Graf" en de "Atlanten" voorstellen, door Mallay ontdekt in 1840 tijdens de opgravingen in de crypte, zijn tentoongesteld in de eerste travee van de hoofdbeuk. 




Twee andere kapitelen, die opnieuw gebruikt zijn tijdens de verschillende transformaties van het gebouw zijn nu bewaard in het plaatselijke museum dat grenst aan de oude abdijkerk.  Het gaat voornamelijk om Korinthische kapitelen.  Een laatste kapiteel waarop tekstbanden zich ontvouwen dragend "Incipit" van de Evangeliën bevindt zich te Londen in het Victoira en Albert museum.  
De 3 verdwenen kapitelen vormen met deze van de Verrijzenis, een cyclus van de Passie zoals bij het halfrond van Saint-Nectaire of van Saint-Austremoine te Issoire.  Deze veronderstelling kan geverifieerd worden met nieuwe ontdekkingen.  Men kan echter de afwezigheid van Korinthische kapitelen niet uitsluiten zoals bij Notre-Dame-du-Port, Issoire of Saint-Priest van Volvic of zoals te Mozac houdt het programma van het halfrond een gebeeldhouwd kapiteel met Engelen met tekstbanden in.  
In de bestaande gedeelten zijn de gefigureerde kapitelen naast de Korinthische en enkele vreemde gehistoriseerde kapitelen bijzonder talrijk aanwezig wat één van de bijzonderheden is van Saint-Pierre te Mozac.  Enkele onder hen zijn hernomen in 2 of 3 exemplaren maar ze zijn zeldzaam, zij aan zij of symmetrisch uitgestald.  De voorgestelde thema's zijn over het algemeen voorgekomen uit de Oudheid met vogels, arenden met ontplooide vleugels, griffoenen die zich genoeg doen aan het water uit dezelfde kelk, mensen tevoorschijn komend uit de vegetatie, pikkers, centauren, maskers.  Andere figuren zoals de gebonden aap of gezeten, gevleugelde leeuwen gaan terug tot de verbeeldende middeleeuwse en hebben overeenkomsten met andere regio's uit de 11e of zelfs 12e eeuw.  

























































De Korinthische kapitelen, eveneens goed vertegenwoordigd, geven het complexe van de canonieke ontwerpen van de Romeinse oudheid opnieuw weer wat relatief uitzonderlijk is in de Auvergne, of geven vrijere samenstellingen waaronder 2 kronen met voluten, één enkele kroon geassocieerd met caulicoles, 2 centrale bladeren boven elkaar en grote bladeren aan de hoeken gecombineerd met opgerolde eindpunten.  Hierin verzachten de acanthusbladeren met een grote levendigheid de structurele wijzigingen.  Sterk versneden, met soepelheid versneden veronderstellen deze vegetaties met een uitzonderlijk vuur een zekere  verwantschap met de Gallo-Romeinse ontwerpen.  Zij tellen 3 tot 5 lobben met beperking onderverdeeld, verbonden met de centrale nerf door de kleine knoppen die kleine achthoekige inkepingen reserveren.

































Twee van de 3 gehistoriseerde kapitelen bewaard in situ zijn versierd met oudtestamentische thema's die een grote gunstige invloed hebben gekend tijdens de vroegchristelijke periode zoals in de kunst van de sacrofagen met Tobie die de vis berijdt en Samson die de onderkaak breekt van de leeuw van Thamnata, verenigd op een kapiteel in de noordelijke zijbeuk terwijl de geschiedenis van Jonas, zelden vooropgesteld tijdens de Romaanse periode, op een kapiteel is weergegeven van de grote boogreeksen, aan de zuidzijde.  Het kapiteel van de bevrijding van de heilige Petrus, hoofd van de Kerk, bezette een bevoorrechte plaats, aan de ingang van het koor.









De gefigureerde of gehistoriseerde samenstellingen geanimeerd door wezens die over het algemeen gans de hoogte van het kapiteellichaam bezetten, getuigen in hun geheel naar een wens van evenwicht, van eenvoud en afleesbaarheid die hen een zekere moderniteit toekent.
Voor het merendeel van de gefigureerde kapitelen zijn de personages, de dieren of de hybrieden steeds in klein aantal en symmetrisch samengesteld op een manier om de sterke punten van het kapiteel te verheffen waarbij zijn min of meer de geslotenheid, het centrum en/of de hoeken benadrukken.  Aldus komen de hoofdrolspelers naar elkaar met gemak toe met centauri, griffoenen, draken, enz..., of zijn naast elkaar gesteld met een meer statische houding met atlanten, mens en aap.  Het Korinthische dient steeds in het kader van dieren met arenden, overwinningsmaskers, mens en aap, maar frequenter het vegetarische bezit enkel een begeleidende en versierde functie met mensen die bladeren vastnemen, vogels, enz...., terwijl op andere kapitelen de acteurs evolueren op een gladde achtergrond met draken, mensen berijdend steenbokken, enz.... 





Op de kapiteelversieringen varieert de weergave van het iconografische verhaal; de kapiteellichamen bevatten één of twee scènes die, afhankelijk van het geval, over drie of vier zijden zijn verdeeld.  Het Bezoek van de Heilige Vrouwen aan het Graf, dat zoals gebruikelijk de drie Maria's, de engel en de drie wachters rond het Heilig Graf samenbrengt, speelt zich ondanks de vier hoeken zonder onderbreking af; deze hoeken worden ingenomen door personages die deelnemen aan de gebeurtenissen die zich op de twee aangrenzende zijden afspelen.  De kapitelen van de engelen die de incipit van de evangeliën vasthouden, van de engelen en de winden van de Apocalyps, en van Tobie en Samson, bieden daarentegen meer synthetische en repetitieve composities waarin de hoeken een belangrijke rol spelen en de dragende functie van de korven benadrukken. Het verhaal van Jonas en de bevrijding van de heilige Petrus, waarin stads- en zeegezichten of binnen- en buitenscènes worden vermengd, worden daarentegen uitgebreider geïllustreerd, in twee sequenties die zich ofwel van rechts naar links, ofwel van links naar rechts ontvouwen; Jonas die door het zeemonster wordt opgeslokt en weer uitgespuugd, de heilige Petrus die door de engel wordt bezocht en bevrijd.




















De figuratieve en historische kapitelen van Saint-Pierre te Mozac vallen op door de kwaliteit van hun uitvoering. De blokken zijn na het uithouwen van de panelen aanzienlijk verder uitgehold om de elementen van de compositie krachtig van de achtergrond te laten afsteken. De gebruikte techniek, het hoog-reliëf, verleent de figuren een zekere autoriteit, die nog wordt benadrukt door de losse positie van de armen ten opzichte van het lichaam.  Overal heersen schoonheid, elegantie en sereniteit.  De respectvolle verhoudingen, de stabiele houdingen, de soepelheid van de gebaren en de sensualiteit van de modellering van de personages getuigen van een gevoeligheid voor de mens die ongetwijfeld is aangescherpt door de observatie van de Gallo-Romeinse beeldhouwkunst.  Dieren en hybriden, met volle vormen, ingehouden dynamiek en vaak een trotse houding, worden met evenveel plastiek weergegeven. Een dergelijke behandeling komt in de Auvergne alleen nog voor in Brioude en Chanteuges.
Het linteel in mijtervorm van de zuidelijke zijbeuk van het transept, waarvan de stijl lijkt op die van de kapitelen, getuigt door zijn thema van de verering van Maria in de Auvergne.  In het midden troont de Maagd met het Kind, in navolging van de beroemde tekst uit de *Visio monachi Roberti*, frontaal afgebeeld en domineert de compositie door haar afmetingen. Aan weerszijden staan de bijfiguren, in afnemende grootte, min of meer in driekwartprofiel afgebeeld.  Onder hen herkennen we de heilige Petrus, patroonheilige van de kerk, en de heilige Johannes, die de centrale groep direct omlijsten, terwijl de identificatie van de zes andere protagonisten – waarschijnlijk allemaal mannen van de Kerk, zoals hun kleding en attributen met boeken,bisschopsstaf en processiekruis doen vermoeden – lastiger is. Sommige auteurs hebben voorgesteld om, rechts van de heilige Petrus, de heilige Austremoine te identificeren, wiens relikwieën sinds de 9e eeuw in Mozac werden vereerd, en in de neerknielende man met tonsuur die hij in het linkerhoekje aanwijst, de abt te zien aan wie we de bouw van het gebouw te danken hebben.















Het vermelden waard is het schrijn van de heilige Calmijn welk dateert uit het einde van de 12e eeuw.













Bronnen.
- Laurence Cabrero-Ravel in "Congrès archéologique de France; Basse-Auvergne"; Société Française d'Archéologie; Paris 2003.
- Bruno Phalip in "Auvergne romane; Itinéraires romanes"; Editions Faton, Dijon 2013.
- Bruno Craplet in "Auvergne romane"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 2'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1992.




Bijlagen.