Zoeken in deze blog

woensdag 10 november 2021

Eglise Notre-Dame te Tayac (Gironde 33)

 Eglise Notre-Dame 

te Tayac


Geschiedenis.
De historische bronnen betreffende de kerk zijn praktisch onbestaande en de eerste vermeldingen gaan pas terug tot de 17de eeuw.  
Het proces-verbaal vastgelegd tijdens het bezoek van de aartspriester in 1687 van Entre-Dordogne beschrijft dat het schip is overwelfd maar het kerkhof was langs geen enkele zijde afgesloten met een muur.  Een nieuw bezoek in 1739 verhaalt dat het koor nergens van het schip is afgesloten en dat de sacristie zich in goede staat bevond.  Een bezoek van 1789 laat veronderstellen dat de kerk zich in goede staat bevond en het meubilair voldoende was.  Tijdens deze periode is de sacristie gebouw maar niet stevig genoeg en het dak wordt gevormd met houten balken.
Op 21 december 1925 wordt de kerk ingeschreven in "l'Inventaire Supplémentaire des Monuments Historiques".

Beschrijving.
Deze kerk van romaanse oorsprong stelt zich samen met een éénbeukig schip van 3 traveeën en met een koor dat een korte koortravee bezit, overdekt met een tongewelf, en zich beëindigt met een cirkelvormige apsis overwelfd met een halfkoepel.  De gootklos van de apsis is versierd met gebeeldhouwde modillons met voornamelijk figuren.  Deze apsis wordt gestut aan de buitenzijde door zware steunberen aangebracht in een latere periode, net zoals de klokkentoren geplaatst op de eerste travee van het schip en de ingang die zich opent onder 3 gebroken bogen.  







Het kooreinde is versierd met een boogreeks samengesteld van 7 kleine rondbogen rustend op de half ingewerkte colonnetten met kubische kapitelen en dekstukken versierd met verschillend soort lijstwerk. De archivolten van de boogreeksen zijn versierd met spijkerkoppen en zaagtanding.  Deze wijze van versiering is erg verspreid en verraadt een middeleeuwse stichting.  
In de 16de eeuw heeft het gebouw wijzigingen ondergaan tijdens de versterking ervan.  Terwijl het plan van de onderste delen middeleeuws blijft, resulteert de verheffing van verschillende wijzigingen.  
Door zijn structuur en zijn beeldhouwwerk kan de datering van de kerk teruggaan tot de 12de eeuw.  De romaanse inrichting is echter beperkt en rond het koor geconcentreerd.  De geometrische en gefigureerde motieven verwijzen naar een klassiek romaans van de Libournais net zoals de boogreeksen van het kooreinde.  
De versterkingscampagnes en wijzigingen van de 16de eeuw hebben de kerk diepgaand gewijzigd vandaar zijn massief uitzicht.  Het massieve uitzicht van het gebouw is vooral te wijten aan zijn versterkte klokkentoren en zijn zware steunberen vooral tegen het kooreinde geplaatst.  Deze latere wijzigingen laten ons een situatie van troebelen zien die de regio trof en verklaart ook de plaats ingenomen door de kerk, voor het dorp en met een overzicht over de vallei.




Bron.
- Raymond Guinodié in "Histoire de Libourne et des autres villes et bourgs de son arrondissements" in pdf; Editions Henry Faye; Bordeaux 1845.

Bijlagen.

dinsdag 9 november 2021

Eglise Saint-Pierre te Puisseguin (Gironde 33)

 Eglise Saint-Pierre  

te Puisseguin


Geschiedenis.
De kerk van Saint-Pierre van Puisseguin is vermeld in de parochielijsten van 1398.  In 1453 gedurende de Honderdjarige Oorlog werd het dorp gedeeltelijk vernield.  In de 16de eeuw was de parochie opnieuw welvarend en hing zij af van een priorij.  Maar de Godsdienstoorlogen op het einde van deze eeuw maken een algemene versterking van de kerk noodzakelijk en in 1587 belegeren de troepen van Turennes het kasteel en de kerk.  In 1617 verliest Saint-Pierre zijn titel als parochiekerk na het wegsturen van de priester door kardinaal de Sourdis.  Zij wordt vervolgens toegevoegd aan het kapittel van de kathedraal van Saint-André van Bordeaux die er tijdelijk een vicariaat opricht.  In 1664 is een regeling opgesteld om een kleine ingang in de muur van de kerk te doorbreken.
Naar het proces-verbaal in 1687 opgesteld tijdens het bezoek van de aartspriester van Entre-Dordogne door de bisschop van Bordeaux, wordt het koor overwelfd en vervolgens het schip.  In 178 is de vicaris financieel bij machte om grote werken van de kerk te financieren.  In 1858 wordt het ontwerp vastgelegd door de Kerkfabriek om een klokkentoren op te richten.  De plannen worden uitgevoerd door architect Léo Courreau.  Restauratiewerken van het portaal worden van 1989 tot 1991 uitgevoerd.  De polychromie van het portaal wordt in reliëf uitgevoerd. 

Beschrijving.
Het gebouw is van oorsprong romaans waar nu nog enkel het veellobbig portaal en het schip van rest.  Het portaal is omkaderd met 2 blinde ingangsbogen en wordt voorafgegaan door een modern portiek.  







Van het kruisvormig plan, stelt het schip zich samen uit 2 traveeën respectievelijk overwelfd met een gebroken tongewelf en vervolgens met een tongewelf.  Twee kapellen overwelfd met een tongewelf die in 1786 worden toegevoegd, vormen de transeptarmen.






De kerk van Puisseguin heeft dus zijn romaanse westelijke gevel van het einde van de 12de eeuw bewaard, net zoals bij de kerk van Saint-Pierre te Petit-Palais.  Zijn polychromie is bewaard gebleven, en vormt het enige voorbeeld in de streek.  



Zijn toponiem verklaart ook een vroege stichting van de parochie.  De welvaart van het dorp heeft toegestaan dat het zich gotische wijzigingen kon veroorloven in de 13de en 15de eeuw, alsook nieuwe kapellen dankzij de steun van het kapittel Saint-André van Bordeaux.  Het gotische kooreinde van de kerk is één van de zeldzame voorbeelden in de regio, samen met deze van de vroegere abdij van Faize.


Bron.
- P. Dubourg-Noves in Guyenne romane; Editions Zodiaque, "la Nuit des Temps 31"; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1969.
Raymond Guinodié in "Histoire de Libourne et des autres villes et bourgs de son arrondissements" in pdf; Editions Henry Faye; Bordeaux 1845.

Bijlagen.

maandag 8 november 2021

Eglise Saint-Laurent te Saint-Laurent-de-Céris (Charente 16)

 Eglise Saint-Laurent 

te Saint-Laurent-de-Céris












Bijlagen.

Eglise Sainte-Eulalie te Champniers (Charente 16)

 Eglise Sainte-Eulalie 

te Champniers



Beschrijving.
Opgericht in klein en middelmatig metselverband stelt het gebouw zich samen met een éénbeukig schip van 3 vierkante traveeën en een gotische zijkapel ten noorden van de 2de travee.  Het schip staat in verbinding met de 2 rechthoekige transeptarmen dmv doorgangen, en met de vierkante kruising.  Vanuit iedere transeptarm vertrekt een vierkante doorgang en een halfronde absidiool die de hoofdapsis begrenzen.
Aan de binnenzijde is de achterzijde van de gevel een restauratie uit de 19de eeuw.  Het schip is een laatromaanse constructie of van begin van de gotische periode; einde 12de of begin 13de eeuw.  Deze is overwelfd met kruisribben met nerven van torisch lijstwerk.  De doorgangen onder de rondboog schijnen eveneens toe te behoren aan een latere constructie, uitgezonderd deze in het zuiden.  




Op de kruising zijn de onderste gedeelten van de 4 pijlers herdaan, hierbij inbegrepen de onderste cilinders.  In de westelijke muur van de noordelijke transeptarm leidt de doorgang naar de klokkentoren welk is doorbroken in zijn noordelijke muur die een galerij en een trap in de dikte van de muur verbergen.



Zowel in het noorden als het zuiden zijn de vensters in de absidiolen herdaan geweest.  De doorgangen naar de apsis zijn verlicht door een lang rondboogvenster met een diepe insprong.  Deze in het zuiden is eveneens herdaan geweest in de 19de eeuw.  De apsis is versierd met 7 boogreeksen waarvan er 2 zijn uitgewerkt als doorgang.




Aan de buitenzijde heeft de reconstructie van de platte dakpannen aan de oostelijke gedeelten het geheel breder gemaakt dan voor de restauratie.  De kerk heeft de zuidelijke muur van de laatste travee van het overwelfde schip, het transept en het koor in zijn staat uit de 12de eeuw bewaard.  Enkele fragmenten van de westelijke doorgangen wijzen erop dat deze reeds aanwezig waren voor de reconstructie.  De oostelijke doorgangen schijnen in het begin niet aanwezig te zijn.  De andere traveeën van het schip naar het noorden zijn verlengd tijdens hun reconstructie op het einde van de 12de eeuw, wat overeenkomt met het herinrichten van de 4 doorgangen.  Dit vergrote gedeelte is verbonden met de oude, in het midden van de 3de travee.  Het schip werd bij het begin van de 13de eeuw overwelfd met kruisribben.







Op het timpaan is Christus in majesteit voorgesteld, gezeten in een mandorla welke versierd is met bloemen en golvende versiering, licht verwijderd aan de rechter zijde.  Zijn hand is verdwenen en men weet niet of deze hand zegend was of een boek in de hand hield.  In de hoeken van het timpaan bespelen 2 beschadigde engelen met  bolle wangen de hoorns om het Laatste Oordeel aan te kondigen terwijl aan weerszijden van Christus de maan en de zon verschijnen.  Inscripties aan de rand van het timpaan bevestigen dit en verklaren de identiteit van de symbolen van de Tetramorf.  Er zouden nog anderen moeten zijn maar de rand is afgekapt of beschadigd aan de voorzijde.  Het gezicht van Christus is rond en de pupillen werden met een beitel doorbroken, maar het geheel ontbreekt het scherpte.  Ondanks de talrijke plooien in zijn kleed  en toga ontbreekt het lichaam aan reliëf en de figuur schijnt star en onnatuurlijk.  De Tetramorf in sterk reliëf is beter geslaagd op het plan van het model maar de verhoudingen van het lichaam zijn overdreven met heel lange en ongelijke armen, korte en ingetrokken benen.  Het gekozen thema waar Christus zijn lichaam niet laat zien, geeft een ontwerp terug voorafgaand aan 1145.  Een datering waarbij in de regio of in het westen van Frankrijk, de beeldhouwers Christus meer en meer met gespreide armen voorstellen, zich losmakend van het lichaam.





Aan de oostelijke delen bemerkt men 2 series van kapiteellichamen. Op de kruising zijn deze van grote formaat.  Zij bootsen gedeeltelijk gehistoriseerd, de worsteling van de ziel of strijdende ridders tegen elkaar, of tegen de krachten van het kwade voor.  Deze zijn voorgesteld onder de vorm van monsters verwikkeld in rankenversiering of geregeld elkaar verslindend met leeuwen, monsters met 3 hoofden. 








Het Lam Gods is in het zuiden van de kruising voorgesteld, bedreigd door een draak.  Deze overvloedige samenstellingen zijn omringd met planten met vette bladeren.  




De verwerking van de ridders herinnert aan deze van het gelijkvloers van de kathedraal van Angoulême, de aanwezigheid van het Lam zoals bij de kruising van Trois-Palis en de stijl van de vegetatie laat deze ontwerpen situeren temidden van de producties van na de bouw van de kathedraal en verwijzen naar een datering uit het 2de kwart van de 12de eeuw.
De kleine kapiteellichamen zijn voor het grootste gedeelte versierd met vegetarisch motieven met vette bladeren maar enkele stellen eveneens dierenmotieven voor.  Bij deze ontdekt met het eucharistisch motief met 2 duiven die uit een kelk drinken en 2 Lam Gods met een kruisvormige stralenkrans.








Deze ontwerpen schijnen van hetzelfde atelier afkomstig te zijn net als de grote kapiteellichamen, door de behandeling van de dieren en de stijl van het gebladerte.  Men kan deze dateren uit het 2de kwart van de 12de eeuw. 
De modillons van het kooreinde en de zuidelijke transeptarm stellen mensenhoofden, vaatjes, met slingers versierde kraagstenen, een kruis en nog 3 kabelversieringen voor.


Het beeldhouwwerk bevestigt de datering van de oostelijke delen van het gebouw uit het 2de kwart van de 12de eeuw.

Bronnen.
- Sylvie Ternet in Les églises romanes d'Angoumois, tome II; Editions "le Croît Vif"; Paris 2006.
- Ch. Daris in Angoumois roman; Editions Zodiaque, "la Nuit des Temps 14"; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1961.




Bijlagen.