Zoeken in deze blog

zondag 10 mei 2026

Collégiale Saint-Austrégésile te Saint-Outrille-en-Graçay (Cher 18)

 Collégiale Saint-Austrégésile 

te Saint-Outrille-en-Graçay




Geschiedenis.
Het dorp Saint-Outrille, een echte enclave in de parochie van Graçay, ligt op de plek van een landgoed van Gallo-Romeinse oorsprong dat „Nundray - Nudriacum", waar volgens de historicus van Berry, La Thaumassière, in 1014 een kapittel van kanunniken bestond dat onder de collegiale kerk Saint-Outrille du Château in Bourges viel. De oudste vermelding van Saint-Outrille, “Beatus Austregesilus” van Graçay, duikt pas in 1123 op in een bul van paus Calixtus II; de naam Nundray verdween pas volledig in de 14e eeuw.
Het kapittel, dat al in 1014 landerijen had gekregen van Raimbaud, heer van Graçay, ontving in de 12e en het begin van de 13e eeuw nog meer bezittingen en privileges van zijn opvolgers.  Van zijn geschiedenis zijn nauwelijks andere zaken bekend dan de geschillen met Saint-Outrille de Bourges, geschillen die zelfs voortduurden nadat beide tegenstanders in 1411 waren toegevoegd aan het kapittel van de Sainte-Chapelle van het paleis van Bourges.  Uit deze periode dateren de herbouw van de gevel, rond 1400, en die van het schip, rond 1450.  
De aanwijzing als “historisch monument” dateert van juli 1886.

Beschrijving.
De aandacht zal vooral uitgaan naar het kooreinde en de bijbehorende gedeelten: het koor, de absidiolen en het transept. Het schip, dat in de 15e eeuw werd herbouwd, waarschijnlijk op de funderingen van het vroegere romaanse schip, geeft echter wel een idee van de oorspronkelijke kruisvormige plattegrond, zonder dat daarbij precies duidelijk wordt hoe de verschillende delen van het gebouw met elkaar verbonden waren.

Plan

Het oostelijke gedeelte, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het dateert uit het begin van de 12e eeuw, bestaat uit een halfrond kooreinde, voorafgegaan door een korte rechte travee die wordt geflankeerd door twee kleine absidiolen en een koor dat via drie bogen in verbinding staat met de zijbeuken, die in het verlengde van de kleine absidiolen liggen.  Het gaat hier opnieuw om de zogenaamde “benedictijnse” plattegrond, waarvan de eerste gedateerde voorbeelden teruggaan in de Berry, tot de eerste helft van de 11e eeuw.



Het kooreinde, met een halfkoepel overdekt, wordt verlicht door drie rondboogvensters met een zeer lage steun en brede insprongen, omlijst door zuiltjes zonder voetstukken, die in de binnenhoeken zijn geplaatst.  De kapitelen waarop de archivolten rusten, uitsluitend versierd met acanthusbladeren, getuigen van een zekere onhandigheid in hun compositie, met voluten die eindigen in opgerolde knopen die onder de dekstukken zijn teruggebogen, en in hun verhouding tot de architectuur van de ramen. Waarschijnlijk zijn enkele daarvan tijdens de bouw bijgewerkt.  De ingangsboog wordt gedragen door twee slanke, vrijstaande zuiltjes, die in de nissen zijn geplaatst en rusten op basissen met een dubbele voetring  die door een hollijst van elkaar worden gescheiden; hun kapitelen met bladversieringen lijken sterk op die van de zuiltjes bij de ramen.










Boven de koortravee vóór de apsis zijn het tongewelf en de omringende bogen, die oorspronkelijk rondbogen waren maar onvoldoende werden ondersteund door te zwakke muren, ingezakt en afgeplat.  De westelijke gordelboog rust op eveneens vrijstaande zuilen waarvan de basissen, met twee voetringen en een hollijst,  gemonteerd zijn op een schuine sokkel, die op zijn beurt rust op een kubusvormig massief in metselwerk.




De travee van het koor zelf, met een tongewelf, is iets hoger en breder dan de voorgaande travee en krijgt alleen licht via de ramen van het kooreinde en door de bogen die deze travee met de zijbeuken verbinden.  Deze zijbeuken steunen aan weerszijden op twee monolithische, licht gebogen zuilen, waarvan de basissen, bestaande uit één enkele grote voetring, aan de zuidzijde zichtbaar zijn, maar aan de noordzijde onder de vloer begraven liggen. De kapitelen, die allemaal varianten zijn van de kapiteellichamen met Korinthische acanthus, vertonen echter opvallende verschillen.  Die in het noorden, met dikke, volledig gebeeldhouwde dekstukken, weerspiegelen een zekere archaïsche stijl; het bladwerk, dat met precisie is uitgesneden door een zeer bekwame ambachtsman, steekt nauwelijks uit boven de uitlopende kapiteellichamen en roepen door de eenvoudige plaatsing ervan pre-romaanse modellen op. Aan de zuidzijde lijken de dekstukken onvoltooid; deze van het oostelijke kapiteel is slechts aan twee zijden versierd; de andere is volledig naakt.   De kapiteellichamen, die aan deze kant beter zijn afgestemd op de diameter van de zuilen, lijken meer op het klassieke kapiteel, met hun voluten over drie niveaus, waarbij die in de bovenste hoeken ver uitsteken ten opzichte van het dekstuk.











De absidiolen, waarvan de muren grondig zijn verbouwd, hebben een overwelving in halfkoepel; hun vensters lijken te zijn aangepast, met uitzondering van één raam in de noordelijke absidiool.



Het transept vertoont sporen van ingrijpende verbouwingen.  Al in de romaanse periode, waarschijnlijk in de loop van de 12e eeuw, werden de pijlers van het vierkant versterkt met  steunberen in uitstek die door uitstekende kraagstenen worden gedragen.  Deze ondersteunen grote bogen met dubbele gording met dunne, langgerekte sluitstenen. Deze solide constructie doet vermoeden dat er boven het kruisgewelf een koepel was gepland, waarvan geen spoor meer te vinden is.  Het ribgewelf dat het momenteel bedekt, dateert niet van vóór de 15e eeuw, en het is waarschijnlijk dat er, net als vandaag boven de kruisbeuken, gedurende meerdere eeuwen alleen een houten overwelving was.







Aan de buitenzijde ligt de aandacht uitsluitend op het kooreinde, en meer in het bijzonder op de apsis, aangezien de absidolen, die bij versterkingswerkzaamheden in een ongekende periode zijn verbouwd, geen details meer vertonen die de moeite waard zijn. Toch valt de harmonieuze balans tussen de volumes op, die een pittoreske bekroning krijgt door de spiraalvormig gedraaide spits met dakpannen. 



Het onderste deel van de muur van de apsis wordt verticaal verdeeld door vier steunberen, waartussen drie ramen zijn aangebracht waarvan de archivolten zijn omgeven door een staafvormige kanteelversiering. Een als kroonlijst fungerende, met een ruitpatroon versierde band loopt rondom het koor aan de bovenkant van de waterlijst van de steunberen; deze wordt tussen de steunberen ondersteund door een zuiltje dat rust op de sokkel van de apsis. Daarboven heerst een rondboogreeks die afwisselend wordt gedragen door zuiltjes met bladkapitelen, vergelijkbaar met die in de binnenzijde, en pilasters versierd met kartouches met tweestrengs vlechtwerk, die allemaal van elkaar verschillen.  De laatste motieven lijken de archaïsche inspiratie te bevestigen die al in de decoratie van Saint-Outrille werd herkend.  Hoewel het ruitvormige metselwerk, dat vroeger zichtbaar was tussen de boogreeks en de kroonlijst en nu verborgen is onder een pleisterlaag, was in de 12e eeuw nog vrij wijdverspreid in de Berry, en zou hier een ander bewijs daarvan kunnen zijn.











Bronnen.
- François Deshoulières in "Les églises de France; Cher"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1932.
- Jean Favière in "Berry roman"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 32'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1980.
- Jacques Lambermont in "Le Cher roman"; Cher 2020.




Bijlagen.