Eglise Notre-Dame
te Charment;
Boisné-La Tude
Beschrijving.
Een hardnekkige, maar onjuiste legende schrijft de kerk van Charment toe aan een tempeliersvestiging, die sommigen in het nabijgelegen kasteel wilden herkennen, een bouwwerk dat echter van latere datum is. Men heeft op deze plek ook het oude “Sarrum” willen herkennen, wat zou kunnen worden bevestigd door de ligging vlakbij de oude Romeinse heirbaan. De elegante contouren van de gotische spits die de klokkentoren bekroont, zijn al van ver te zien. Deze draagt in hoge mate bij aan het pittoreske karakter van dit dorp, dat op de rand van een plateau ligt en zijn naam zeker verdient. We bevinden ons hier in het middeleeuwse bisdom Angoulême, aan de rand van de Périgord.
De kerk, waaraan enkele middeleeuwse bouwwerken te herkennen zijn, is eigendom van de kanunniken van de kathedraal sinds deze tussen 1060 en 1075 door de plaatselijke leenheer, een zekere Ugbertus Gotgotes, aan hen werd toevertrouwd. Het schip behoort mogelijk tot deze eerste, nog archaïsche bouwfase, aangezien het een eenvoudige aula betreft, een éénbeukig schip met houten dakconstructie, met muren van breuksteen die slechts door enkele steunberen worden verstevigd en verlicht worden door kleine ramen met inwendige insprong. Het is één van de meest representatieve voorbeelden van deze traditionele bouwwerken uit de 11e eeuw. De westgevel en het portaal, dat zeer eenvoudig is en geflankeerd wordt door een grafnis, behoren al tot een verbouwingsfase die waarschijnlijk aan het begin van de 12e eeuw is ingezet.
Aan de oostkant opent de vrij smalle triomfboog, met daarboven een dichtgemaakt raam, zich in een muur van natuursteen. Deze boog rust op twee zuilen die tegenover de ingang van het transept staan. Hun kapitelen met plantendecor, bestaande uit rankenversiering met soepele en levendige palmetten die door de wind lijken te worden geblazen, zijn ook te vinden in Bécheresse en Porcheresse. Hun imposten lopen door op de muur waar twee andere zuilen, gericht naar het schip, zijn dichtgemetseld. Deze elementen getuigen van een eerste verbouwingsplan dat blijkbaar niet ver is gevorderd. Hiermee kan ongetwijfeld het merkwaardige bas-reliëf worden in verband gebracht dat in de muur rechts van de boog is aangebracht en dat het kapiteel van de verdwenen zuil lijkt te verlengen. Men herkent er een figuur die een tegenstander een slag lijkt toe te brengen, maar zowel de iconografie als de oorsprong van dit beeldhouwwerk blijven raadselachtig.
Hun imposten lopen door op de muur waar twee andere zuilen, gericht naar het schip, zijn dichtgemetseld. Deze elementen getuigen van een eerste verbouwingsplan dat blijkbaar niet ver is gevorderd. Hiermee kan ongetwijfeld het merkwaardige bas-reliëf worden in verband gebracht dat in de muur rechts van de boog is aangebracht en dat het kapiteel van de verdwenen zuil lijkt te verlengen. Men herkent er een figuur die een tegenstander een slag lijkt toe te brengen, maar zowel de iconografie als de oorsprong van dit beeldhouwwerk blijven raadselachtig.
Het brede transept, met twee kleine apsissen die een centrale apsis omlijsten, is letterlijk tegen de achterzijde van de oostelijke muur van het schip aangebracht, met een duidelijk waarneembare verschuiving. Het gaat om laat-romaanse architectuur, waarschijnlijk uit het midden van de 12e eeuw, opgetrokken uit natuursteen en volledig overwelfd. Een koepel op pendentieven overspant de kruising, met daarboven een vierkante, reeds gotische klokkentoren. Booggewelven die op kraagstenen rusten, geven de hoofdapsis een levendig karakter; deze is voorzien van enkele mooie modillons. Binnen zijn nog moderne beschilderingen te zien.
Bron.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Charente"; Geste Editions; La Crèche 2010.
- Jean George in "Les églises de France; Charente"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1933.
Bijlagen.