Zoeken in deze blog

maandag 31 augustus 2026

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais te Le Montet (Allier 03)

Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais 
te Le Montet


Geschiedenis.
De heuvel van Le Montet was in de 11e eeuw de zuidelijkste grens van het domein van de heren van Bourbon die in deze periode hun bezittingen in het noordoosten uitbreidden rond Souvigny en Bourbon-l'Archambault.  Zij hadden deze uitloper van de heuvels van Combrailles bereikt vanwaar ze een volgende uitbreiding naar de Auvergne toe kon voorbereiden.  Zij hadden er hun geliefde verblijfplaats in die zin dat Archambault II als heer van Bourbon er in 1078 stierf en door zijn nakomelingen de naam van Archambault du Montet had gekregen.  Het is deze die de kerk van Le Montet stichtte en waarin hij begraven werd.  Zijn zoon Archambault II die in 1095 stierf, had zijn vaders stichting verder verrijkt en er een priorij gesticht onder het patronaat van Saint-Michel en die de naam Montet-aux-Moines had aangenomen.
De priorij van Montet-aux-Moines nam snel aan belang toe.  In 1095 verbleef paus Urbanus II er tijdens zijn beroemde reis naar de Auvergne en die het besluit nam van de eerste kruistocht.  Het is door een bull gedateerd te Le Montet op 13 september 1095, minstens 15 dagen voor het concilie, dat de Franse paus de tijdelijke macht van de priorij van Souvigny bevestigde waar hij de overbrenging van de resten van Saint-Mayeul ging inwijden.
Andere teksten van de middeleeuwen  bevestigen de uitstraling welke de priorij van Le Montet had.  Het is ook naar hier dat gedurende een jaar in 1152-1153 de abt van Vézelay, Pons de Montboissier, vluchtte nadat hij door een opstand van de burgers verjaagd was uit zijn abdij.  Le Montet werd zelfs gedurende een paar maanden het hoofdkwartier van zijn intriges om van de paus de priorij van Souvigny te verkrijgen.  Het is met deze gebeurtenissen dat men moet teruggaan van de aanhechting van Le Montet bij de verre abdij van Saint-Michel de Cuse in Piëmonte.  Pons de Montboissier behoorde tot een familie uit de Velay die de gunst mocht ontvangen de abdij van Cuse gesticht te hebben en waarvan zijn familie de begunstiger was.
Tijdens deze periode, in het midden van de 12e eeuw, werd de kerk waarvan we nu nog de overblijfselen zien, afgewerkt.  Hierbij moet men zich een gebouw voorstellen van de drie nog bestaande traveeën van het schip, een vierde travee op de plaats van het nu moderne koor, vervolgens een uitstekend transept voorzien van een absidiool aan elke arm en tenslotte een diep koor beëindigd door een rondgang van zeven zuilen met daarrond een uitgestrekt kooromgang met vijf st'raalkapellen.  Dit verspreid plan met vijf straalkapellen tijdens de Romaanse periode voor belangrijke gebouwen, was dit van de Romaanse kerk te Souvigny zoals de overblijfselen aanduiden die men heeft teruggevonden in het midden, met de toevoegingen van de 15e eeuw.
De nauwe verwantschap tussen beide constructies blijkt uit hun ongeveer dezelfde samenstelling die te Le Montet wel iets meer gedrongen was.  Toen de uiterste muur van het transept nog overeind stond in 1892 was deze in zijn binnenste gedeelte voorzien van twee rondbogen omkaderend een mijterboog met daarboven twee verwante vensters.  Het is een gemeenschappelijke samenstelling die men in alle grote Romaanse kerken kan bemerken in het diocees van Clermont, meer bepaald in het zuiden van de Bourbonnais zoals te Chantelle en te Ebreuil en welk men te Souvigny gemakkelijk kan reconstrueren ondanks de gedane veranderingen aldaar in het transept toen men de doodskapel aanlegde voor Louis II de Bourbon.  Eveneens zoals te Souvigny waren de absidiolen te Le Montet gestut door zuilen als steunbeer en op middelste hoogte versierd met een band van staafvormige kanteelversiering.
In de 14e eeuw zette het verval zich in toen de hertogen van Bourbon de kerk veranderden in een versterkte vesting.  De kerk werd een verdedigingspost tijdens de Honderdjarige Oorlog tegen de troepen van de Zwarte Prins die vanuit de Marche en de Limagne kwamen.  Deze grenspositie waaraan  Le Montet was veroordeeld, zette zich verder door in perioden van troebelen zoals bij de Ligue du Bien public of de Praquerie.  Het gebouw werd aldus versterkt op een ongekend tijdstip maar dit moet laat geweest zijn, ergens in de loop van de 15e eeuw en moet teruggaan naar de periode van de oorlog du Bien public als men zich baseert op de gebleven constructie aan de noordelijke steunmuur met de accoladebogen van de machicoulis.  Deze versterkingen vormden een rondgang op de zijbeuken met bijkomende verheffingen aan de steunmuren.
Een eeuw later werd in 1567 de kerk in brand gestoken door de protestantse troepen die na hun succes in de vallei van Cognat terug naar de Berry trokken en al de versterkte plaatsen in de heuvels van Combrailles vernielden.  Het kooreinde en de gevel hadden hieronder het meeste te lijden die men trachtte te herstellen.  Een nieuw verblijf voor de prior werd opgericht tegen de beschadigde gevel.  De restauratiewerken in de 17e en 18e eeuw waren onvoldoende zodat het kooreinde tot een ruïne was vervallen, de gewelven van het schip waren ingestort en het hoge dak dat tegen de steunmuren drukte, bedreigde van wat nog recht stond.  In 1865 besliste men om een apsis en 2 absidiolen op te richten die we vandaag nog zien en het gebouw werd in 1889 geklasseerd.  De architect besliste om de gewelven in lichte materialen te reconstrueren, zoals ze aanvankelijk moesten geweest zijn.  Hij herschikte de gevel en zette alles terug op zijn plaats zoals met de sluitstenen van het oude portaal.  In 1903 verhief men aan de zuidelijke hoek van de gevel een grote klokkentoren met materialen die afkomstig waren van het grote romaanse koor.

Beschrijving.
Van het uitgestrekte bouwwerk uit de tweede helft van de 12e eeuw, dat bestond uit een transept met aan elke arm een absidiool en een koor omgeven door een kooromgang met straalkapellen, vergelijkbaar met die van La Chantelle, zijn slechts vier traveeën van het schip bewaard gebleven, voorzien van zijbeuken. De huidige halfronde apsis en de twee absidolen die deze flankeren, werden in 1871 door de architect Moreau van Moulins opgetrokken op de plaats van het voormalige transept.  In die periode werd de voorgevel heringericht en op de noordhoek ervan werd een hoge klokkentoren in gotische stijl, met daarboven een terras, opgetrokken naar de plannen van Lassus.
Het schip, dat geen directe verlichting heeft, wordt overdekt door een gebroken tongewelf op gordelbogen; de grote gebroken boogreeksen rusten op vierkante pijlers die worden geflankeerd door zuilen.  De kapitelen zijn grotendeels versierd met elegante rankwerk met parels en palmetten die lijken op die in Saint-Menoux en in het transept van Souvigny.  Andere zijn versierd met rijen gedrongen figuren, zonder reliëf, die lijken op de door de Auvergne geïnspireerde figuren in de kerken van Bourbon, Souvigny en Yzeure. De basissen met twee voetringen rusten op achthoekige sokkels, waarvan sommige halverwege versierd zijn met een rij parels, net als in Buxières en Saint-Menoux.  De zuidelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke kwartcirkelgewelf behouden, dat wordt gedragen door gordelbogen die ter hoogte van de pijlers rusten op zuilen met kapitelen.  De noordelijke zijbeuk werd in de 15e eeuw voorzien van een kruisribgewelf met prismatische ribben en opengewerkte sluitstenen.


























Aan de buitenzijde werd het portaal gerestaureerd in de 19e eeuw,welk zich opent onder een archivolt in rondboog met een decor van eivormige versiering dat onderlijnd wordt door een rij van parels, welk aan iedere zijde terugvalt op een kapiteel met rankenversiering.  Deze bekroont een voetmuur die eveneens overvloedig versierd werd met links vervlochten draden en rechts met een brede meanderversiering.  De binnenste booggordingen rusten op bijna volledig herdane colonnetten maar waarbij de versiering overvloedig is met kabelmotief, bloempjes, ineengevlochten lintvormige versiering met parels.  Deze bootsen met een grote kracht het aspect na wat het oorspronkelijke ontwerp kon geweest zijn.  Nog meer dan het Bourgondische schijnen zich hier enkele tradities van versiering van het Romaanse Italië te manifesteren temeer door de afhankelijkheid van de priorij van een abdij uit Piëmont zou dit een voldoende uitleg zijn.



















Aan de buitenzijde is er verder niets interessants meer te vermelden zij het dan het defensieve metselverband die de noordelijke gootmuur bekroont die een rondgang inhield met machicoulis gedragen door kraagstenen.  Eveneens zijn kleine kanongaten doorbroken in het metselwerk.
In 1897 stonden er achter het huidige koor nog overblijfselen van het zuidelijke kruisbeuk van het oorspronkelijke transept; de achtermuur was, net als in Souvigny, Chantelle, Sainte-Croix de Gannat en Ebreuil, versierd met twee blinde rondbogen, gedragen door zuiltjes en gescheiden door een mijterboog, volgens het ontwerp dat gebruikelijk is bij de grote romaanse kerken van de school van de Auvergne; daarboven bevonden zich twee ramen.  Aan de buitenkant werd de absidiool ondersteund door steunbeer-zuilen, die halverwege, net als bij de koorzijdes van Souvigny en Saint-Menoux, werden omcirkeld door de rij van staafvormige kanteelversiering die over de muur liep.

Bronnen.
- Jean Dupont in Nivernais - Bourbonnais roman in Editions Zodiaque; la Nuit des Temps 45; Abbaye Sainte-Marie-de-la-Pierre-qui-vire 1976.
- Bruno Philip in "Auvergne romane"; Editions Faton, Dijon 2013.
- Marcel Géneremont en Pierre Pradel in "Eglises de France; Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1934.





Bijlagen.

zondag 30 augustus 2026

Eglise Saint-Menoux te Saint-Menoux (Allier 03)

 Eglise Saint-Menoux 

te Saint-Menoux


Geschiedenis.
Het is het min of meer legendarische levensverhaal van de Ierse heilige Menou, zoals dat uit latere bronnen bekend is, dat ons de oorsprong beschrijft van het klooster van Saint-Menoux, gelegen in het voormalige bisdom Bourges.  We moeten teruggaan naar de 7e eeuw, naar de dood van Menou, die bisschop van Quimper was geworden en die zou zijn overleden toen hij terugkeerde van een pelgrimstocht naar Rome, in de plaats die Malliacum heet. Rond het jaar 1000, naar aanleiding van de ontdekking van het heilige stoffelijk overschot door Dagbert, aartsbisschop van Bourges, zou het benedictijnse vrouwenklooster, dat al sinds onbepaalde tijd in Malliacum gevestigd was, zijn gerestaureerd en de naam van de heilige hebben aangenomen. Het laconieke verslag vermeldt alleen de naam van de toenmalige abdis, Adalgasie.
De weinige oorkonden uit de 11e eeuw en vooral uit de 12e eeuw die tot op heden bewaard zijn gebleven, getuigen van de welvaart van het klooster, dat kon rekenen op de welwillendheid van de heren van Bourbon.  In 1125 verleende Archambaud VII de benedictijnse nonnen voor het dorp dat rondom het klooster was gegroeid, dezelfde immuniteiten en vrijheden als die welke eerder door de priorij van Souvigny voor haar eigen dorp waren verkregen.  De bezittingen van de gemeenschap namen in deze periode aanzienlijk toe dankzij het daadkrachtige optreden van de abdis.  In 1145 is de vastberadenheid waarmee abdis Ermengarde tegenover de prior van Notre-Dame de Salles uit Berry het bezit van de kerk van Agonges opeiste, in dit opzicht veelzeggend.
De band tussen het Huis Bourbon en de abdij van Saint-Menoux, die wellicht teruggaat tot de tijd van de stichting, bleef langdurig bestaan, zoals blijkt uit de schenkingen van Agnès, dochter van Archambauld IX, in 1275 en 1281.  Vlak naast de zo machtige cluniacenzerpriorij van Souvigny behield het klooster een zekere invloed in de regio. In 1569 woonden er negenentwintig nonnen, die zich hielden aan de regels van de hervorming van Chézal-Benoît, die sinds 1507 van kracht was.  
Door de Franse Revolutie werden de nonnen verdreven en werden de gebouwen van de abdij, die in 1790 als nationaal bezit werd verkocht, systematisch verwoest.  De voormalige abdijkerk werd weer in gebruik genomen als parochiekerk en kreeg in 1840 de status van historisch monument.
Over de monumentale geschiedenis van het klooster is in de bronnen weinig bekend, afgezien van een grafschrift uit 1500 dat vroeger te vinden was op het inmiddels verdwenen graf van een abdis in het koor van de abdijkerk. Het grafschrift maakte melding van de herbouw van de kloostergang en de gedeeltelijke herbouw van de kerk.  Daarnaast moet de herbouw van de ingang van de noordelijke arm van het transept in 1683 worden vermeld, die in de parochieregisters is vastgelegd.
Het vrijwel volledige gebrek aan documenten over de bouwgeschiedenis moet zoveel mogelijk worden gecompenseerd door archeologisch onderzoek, wat bemoeilijkt wordt door het bijzonder heterogene karakter van het gebouw en door de ingrijpende restauraties die het in de 19e eeuw heeft ondergaan.

Beschrijving.
De opmerkelijke kerk van Saint-Menoux, waarin de Bourgondische romaanse kunst zich zuiverder en eleganter manifesteert dan in alle andere kerken van de Bourbonnais, bestaat uit een schip met drie traveeën, geflankeerd door zijbeuken en voorafgegaan door een ruime narthex die bestaat uit drie parallelle beuken; de kerk eindigt in het oosten met een niet-uitstekend transept.  Het koor met twee traveeën, voorzien van zijbeuken, gaat vooraf aan een diepe, halfronde apsis die omgeven wordt door een kooromgang; hierop openen vier halfronde absidiolen en een vierkante kapel in de as, net als in Issoire, Saint-Dier en de naburige kerk van Souvigny.  
De voorhal van het schip is de narthex van een gebouw uit de 11e eeuw; de rest van de kerk werd in de tweede helft van de 12e eeuw opgetrokken, onder invloed van de kunst uit de regio Autun. In de 13e eeuw werd het transept heringericht en werd de centrale klokkentoren gebouwd; vervolgens werden in de 15e eeuw het middenschip en de zijbeuken van binnen opnieuw ingericht.  Het gebouw, dat zich in 1830 in een erbarmelijke staat bevond, werd gered door de klassering als monument van 1840; toen werden er onhandige restauratiewerkzaamheden uitgevoerd aan de klokkentoren en het koor; in 1862 restaureerde architect Millet de voorhal, en ten slotte werden in 1885 onder leiding van Selmersheim omvangrijke werkzaamheden uitgevoerd aan het gehele gebouw. 
De trapeziumvormige voorhal is verdeeld in drie beuken van elk drie traveeën door zuilen die in trommels zijn gemetseld en zorgvuldig gebouwde rondbogen dragen, die bovendien langs de oost- en westmuren overeenkomen met zuilen op steunen.  De noordelijke zuilen staan opgesteld volgens de noordwest-zuidoostlijn, die sterk afwijkt van de as van het gebouw.  De kapitelen zijn versierd met dikke, gebogen bladeren, besnorde hoofden, vlechtwerk of rug aan rug liggende leeuwen, onder dekstukken met gedraaide of in elkaar grijpende motieven.  Dikke verticale kanteelversieringen benadrukken de astragalen.  De basissen bestaan uit twee voetringen die een smalle hollijst omsluiten en op een sokkel rusten.  De uitvoering van de beeldhouwwerken is archaïsch maar zorgvuldig verzorgd; bovendien moeten bepaalde ornamentale details in de 12e eeuw zijn vernieuwd.











Boven de boogreeksen loopt een kroonlijst van staafvormige kanteelversiering, ondersteund door ruwe modillons; op deze kroonlijst rustte het oorspronkelijke dakgebinte.  De zijmuren zijn versterkt met drie grote boogreeksen die worden gedragen door zuilen op steunmuurtjes, en onder elk daarvan bevindt zich een smal rondboograam dat sterk inspringend is. 











Het schip werd in de 15e eeuw verbouwd en voorzien van kruisribgewelven waarvan de ribben uitmonden in golvende pilasters die worden verbonden door grote, gebroken boogreeksen met groefversieringen. De zuidelijke zijbeuk werd destijds op dezelfde wijze overwelfd, en de terugvallen rusten op afsluitstukken versierd met bladwerk en engelen die wapenschilden vasthouden; de noordelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke tongewelf behouden op gordelbogen die in de gotische periode zijn aangepast.








Het kruising van het transept wordt omlijst door kruisvormige pijlers met kolommen aan de zijkanten, die in de 13e eeuw, tijdens de bouw van de klokkentoren, werden geplaatst.  De kapitelen, versierd met knoppen, dragen de spitsboogvormige bogen; de basissen, voorzien van een diepe voetlijst en omlijst door klauwen, rusten op sokkels.  Boven de triomfboog en de boog die uitkomt op het schip is een opening aangebracht voor de ventilatie van de zolderruimte, terwijl de 2 rondboogvensters met hierboven een veellobbig roostervenster boven elke zijdelingse boog is aangebracht.  Het kruisribgewelf dat deze kruising overwelfd, bevindt zich op een zeer hoge hoogte; de ribben zijn geprofileerd met twee voetringen, gescheiden door een hollijst, en rusten op afsluitstukken met maskers en krullen. 







Gebroken tongewelven overdekken de kruisbeuken; twee ramen en een veellobbig roostervenster sieren elke afsluitmuur.


Het koor en de omringende kooromgang liggen drie treden hoger.  


Het koor bestaat uit twee traveeën met gebroken tongewelven; de gordelboog rust op twee vierkante pijlers, die aan drie zijden worden geflankeerd door halfzuilen en aan de kant van de kooromgang door een gecanneleerde pilaster.  De westelijke travee van dit koor is aan de zijkant voorzien van een grote gebroken boog, versierd met een voetring en bekroond door een holle lijst die op maskers rust; de andere staat in verbinding met de kooromgang via twee rondbogen die worden gedragen door een centrale zuil.  Vierkante massieven, geflankeerd door gecanneleerde pilasters, scheiden het koor van de rechte travee van de apsis, waarnaar aan weerszijden van het rechtergedeelte een rondboog uitkomt en, rondom het rondpunt, vijf smallere bogen die rusten op hoge toppen en uitmonden in gekoppelde zuilen met trommels.
Alle kapitelen in Bourgondische stijl vertonen uiterst elegante en gevarieerde sculpturen; het zijn kunstzinnige vlechtwerken, mandwerk, bloemen en vruchten, bladeren waarin vogels nestelen, met parels versierde palmetten, en soms hoekfiguren, griffioenen die uit dezelfde kelk drinken; motieven die we ook terugvinden op de kapitelen van de kerken van Souvigny, Le Montet, Yzeure, Buxières-les-Mines, enz., maar die in Saint-Menoux een superieure afwerking hebben en in een geordende overvloed voorkomen, waardoor opmerkelijke decoratieve effecten worden gecreëerd.  De dekstukken zijn voorzien van holle versieringen en rondingen; sommige zijn versierd met voetringen, geometrische ornamenten en bloemetjesmotieven.  De sokkels zijn torusvormig en soms, halverwege de hoogte van de sokkel, versierd met een rij parels, zoals in Buxières-les-Mines en in Le Montet.  Boven de boogreeks vormt een fries, bestaande uit een band met Griekse motieven onder een rand van een eierlijst, de basis voor een verdieping met ramen die worden gescheiden door gekoppelde colonnetten die de kordonlijsten ondersteunen waarmee de bogen zijn versierd.  Ten slotte markeert een band met dambordmotieven het begin van de gewelven.































De kooromloop wordt overspannen door graatgewelven, onderbroken door gebroken gordelbogen die enerzijds tussen de pijlers van het koor of de zuilen van de rotonde en anderzijds tussen de pilasters tegen de buitenmuren zijn gespannen.  In het rechte gedeelte komen twee traveeën van de kooromgang overeen met de oostelijke travee van het koor.  Op deze kooromgang openen de vier straalkapellen in een halve cirkel, waarvan de twee westelijke zijn geplaatst volgens een as die loodrecht staat op die van de kerk.  Elk van deze kapellen bezitten drie ramen waarvan de steunmuren zijn voorzien van colonnetten. Vergelijkbaar, maar bovendien bekroond met een fries van palmetten, zijn de twee ramen die de kooromgang verlichten in de ruimte tussen de absidiolen.  Wat betreft de kapel met vierkante plattegrond: deze wordt overdekt door een tongewelf en de achterwand is in de gotische periode voorzien van een breed gotisch raam met opvulling.




























De gevel is afkomstig van de 11e-eeuwse kerk, maar door de verbouwingen die eraan zijn uitgevoerd, zijn er slechts fragmenten van het oorspronkelijke metselwerk overgebleven.  Daarachter rijst de gevel van het schip op, met daarin een oculus.  De noordzijde van het gebouw wordt verzwaard door steunberen uit de 16e eeuw.  In het zuiden zijn nog de overblijfselen te zien van een kloostergang uit het einde van de gotische periode.  De apsis sluit naadloos aan bij de meesterlijke indeling van het kooreinde.  De straalkapellen worden ondersteund door steunberen in de vorm van steunbeer-zuilen met bladkapitelen, terwijl gecanneleerde pilasters die tot aan het dak reiken, tegen het bovenste deel van de apsis tussen de ramen oprijzen.  De kroonlijsten worden gedragen door modillons met spaanders.  Alle ramen worden bekroond door een rij van staafvormige kanteelversiering die een ring vormt rond de steunberen in de vorm van steunbeer-zuilen en doorloopt tot aan het vlakke kooreinde van de middelste kapel.































De vierkante klokkentoren uit de 13e eeuw, die boven de kruising uittorent, staat op een sokkel met aan de zijkanten twee rondboogvensters onder een meerlobbige oculus; het bouwwerk, dat op de hoeken is voorzien van twee colonnetten, is op de eerste verdieping versierd en op de tweede verdieping opengewerkt, met op elke zijde twee vensters met licht gebroken bogen, die worden doorsneden en omlijst door zuiltjes. De timpanen van de benedenverdieping zijn voorzien van geperforeerde platen met klaverbladmotieven die in roosters zijn gegroepeerd en als geluiddempers fungeren; op deze verdieping worden de raamopeningen gescheiden door een pilaster waarop het decor in bladversiering van de kapitelen zich als een band voortzet; op de bovenste verdieping staat tussen de raamopeningen een bundel zuiltjes, die wordt doorsneden door  paarsgewijze zuiltjes. De stenen torenspits, die aan het begin van de 20e eeuw instortte, is vervangen door een houten constructie.




De noordwestelijke hoek van deze klokkentoren wordt geflankeerd door het traptorentje, dat is voorzien van een blinde boogreeks en uitmondt in een achthoekige verdieping die als steun dient voor een kleine stenen spits met ribben op de hoeken.
De narthex is omgebouwd tot een museum voor steenbeeldhouwkunst, met als hoogtepunt een sterk beschadigd bas-reliëf waarop, onder een mijterboog, een zegenende Christus te zien is, zittend te midden van een amandelvormige glorie; daaromheen staan de symbolen van de evangelisten; daarboven het paaslam in een aureool.  Dit beeldhouwwerk uit de 12e eeuw, waarin men een fragment van een oud graf van de heilige Menoux heeft willen zien, kan inderdaad een van de korte zijden van een sarcofaag hebben gevormd.  Ernaast bevindt zich een bas-reliëf uit dezelfde periode, waarop de apostelen zijn afgebeeld, en twee fragmenten van de 13e-eeuwse vloertegels, met inlegwerk van lood en cement in de vorm van rozetten, die vroeger de kooromgang bedekten.





















Achter het hoofdaltaar bevindt zich het zogenaamde graf van de heilige Menoux: een stenen sarcofaag die aan de basis smaller is dan aan de bovenkant en bedekt is met een zadeldak.  In een van de zijwanden zit een halfronde opening die wordt gebruikt voor vroomheidsoefeningen.  Deze sarcofaag rust op vier gebogen zuilen uit de 13e eeuw, voorzien van dikke torussen aan de voet en aan de top. 










Bronnen.
- Bruno Phalip in "Auvergne roman"; Edtions Faton; Dijon 2013.
- Marcel Génermont en Pierre Pradel in "Les églises de France, Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1938.
- Jean Dupont in "Nivernais-Bourbonnais roman; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 45'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1976.




Bijlagen.