Eglise Saint-Gervais et Saint-Protais
te Le Montet
Geschiedenis.
De heuvel van Le Montet was in de 11e eeuw de zuidelijkste grens van het domein van de heren van Bourbon die in deze periode hun bezittingen in het noordoosten uitbreidden rond Souvigny en Bourbon-l'Archambault. Zij hadden deze uitloper van de heuvels van Combrailles bereikt vanwaar ze een volgende uitbreiding naar de Auvergne toe kon voorbereiden. Zij hadden er hun geliefde verblijfplaats in die zin dat Archambault II als heer van Bourbon er in 1078 stierf en door zijn nakomelingen de naam van Archambault du Montet had gekregen. Het is deze die de kerk van Le Montet stichtte en waarin hij begraven werd. Zijn zoon Archambault II die in 1095 stierf, had zijn vaders stichting verder verrijkt en er een priorij gesticht onder het patronaat van Saint-Michel en die de naam Montet-aux-Moines had aangenomen.
De priorij van Montet-aux-Moines nam snel aan belang toe. In 1095 verbleef paus Urbanus II er tijdens zijn beroemde reis naar de Auvergne en die het besluit nam van de eerste kruistocht. Het is door een bull gedateerd te Le Montet op 13 september 1095, minstens 15 dagen voor het concilie, dat de Franse paus de tijdelijke macht van de priorij van Souvigny bevestigde waar hij de overbrenging van de resten van Saint-Mayeul ging inwijden.
Andere teksten van de middeleeuwen bevestigen de uitstraling welke de priorij van Le Montet had. Het is ook naar hier dat gedurende een jaar in 1152-1153 de abt van Vézelay, Pons de Montboissier, vluchtte nadat hij door een opstand van de burgers verjaagd was uit zijn abdij. Le Montet werd zelfs gedurende een paar maanden het hoofdkwartier van zijn intriges om van de paus de priorij van Souvigny te verkrijgen. Het is met deze gebeurtenissen dat men moet teruggaan van de aanhechting van Le Montet bij de verre abdij van Saint-Michel de Cuse in Piëmonte. Pons de Montboissier behoorde tot een familie uit de Velay die de gunst mocht ontvangen de abdij van Cuse gesticht te hebben en waarvan zijn familie de begunstiger was.
Tijdens deze periode, in het midden van de 12e eeuw, werd de kerk waarvan we nu nog de overblijfselen zien, afgewerkt. Hierbij moet men zich een gebouw voorstellen van de drie nog bestaande traveeën van het schip, een vierde travee op de plaats van het nu moderne koor, vervolgens een uitstekend transept voorzien van een absidiool aan elke arm en tenslotte een diep koor beëindigd door een rondgang van zeven zuilen met daarrond een uitgestrekt kooromgang met vijf st'raalkapellen. Dit verspreid plan met vijf straalkapellen tijdens de Romaanse periode voor belangrijke gebouwen, was dit van de Romaanse kerk te Souvigny zoals de overblijfselen aanduiden die men heeft teruggevonden in het midden, met de toevoegingen van de 15e eeuw.
De nauwe verwantschap tussen beide constructies blijkt uit hun ongeveer dezelfde samenstelling die te Le Montet wel iets meer gedrongen was. Toen de uiterste muur van het transept nog overeind stond in 1892 was deze in zijn binnenste gedeelte voorzien van twee rondbogen omkaderend een mijterboog met daarboven twee verwante vensters. Het is een gemeenschappelijke samenstelling die men in alle grote Romaanse kerken kan bemerken in het diocees van Clermont, meer bepaald in het zuiden van de Bourbonnais zoals te Chantelle en te Ebreuil en welk men te Souvigny gemakkelijk kan reconstrueren ondanks de gedane veranderingen aldaar in het transept toen men de doodskapel aanlegde voor Louis II de Bourbon. Eveneens zoals te Souvigny waren de absidiolen te Le Montet gestut door zuilen als steunbeer en op middelste hoogte versierd met een band van staafvormige kanteelversiering.
In de 14e eeuw zette het verval zich in toen de hertogen van Bourbon de kerk veranderden in een versterkte vesting. De kerk werd een verdedigingspost tijdens de Honderdjarige Oorlog tegen de troepen van de Zwarte Prins die vanuit de Marche en de Limagne kwamen. Deze grenspositie waaraan Le Montet was veroordeeld, zette zich verder door in perioden van troebelen zoals bij de Ligue du Bien public of de Praquerie. Het gebouw werd aldus versterkt op een ongekend tijdstip maar dit moet laat geweest zijn, ergens in de loop van de 15e eeuw en moet teruggaan naar de periode van de oorlog du Bien public als men zich baseert op de gebleven constructie aan de noordelijke steunmuur met de accoladebogen van de machicoulis. Deze versterkingen vormden een rondgang op de zijbeuken met bijkomende verheffingen aan de steunmuren.
Een eeuw later werd in 1567 de kerk in brand gestoken door de protestantse troepen die na hun succes in de vallei van Cognat terug naar de Berry trokken en al de versterkte plaatsen in de heuvels van Combrailles vernielden. Het kooreinde en de gevel hadden hieronder het meeste te lijden die men trachtte te herstellen. Een nieuw verblijf voor de prior werd opgericht tegen de beschadigde gevel. De restauratiewerken in de 17e en 18e eeuw waren onvoldoende zodat het kooreinde tot een ruïne was vervallen, de gewelven van het schip waren ingestort en het hoge dak dat tegen de steunmuren drukte, bedreigde van wat nog recht stond. In 1865 besliste men om een apsis en 2 absidiolen op te richten die we vandaag nog zien en het gebouw werd in 1889 geklasseerd. De architect besliste om de gewelven in lichte materialen te reconstrueren, zoals ze aanvankelijk moesten geweest zijn. Hij herschikte de gevel en zette alles terug op zijn plaats zoals met de sluitstenen van het oude portaal. In 1903 verhief men aan de zuidelijke hoek van de gevel een grote klokkentoren met materialen die afkomstig waren van het grote romaanse koor.
Beschrijving.
Van het uitgestrekte bouwwerk uit de tweede helft van de 12e eeuw, dat bestond uit een transept met aan elke arm een absidiool en een koor omgeven door een kooromgang met straalkapellen, vergelijkbaar met die van La Chantelle, zijn slechts vier traveeën van het schip bewaard gebleven, voorzien van zijbeuken. De huidige halfronde apsis en de twee absidolen die deze flankeren, werden in 1871 door de architect Moreau van Moulins opgetrokken op de plaats van het voormalige transept. In die periode werd de voorgevel heringericht en op de noordhoek ervan werd een hoge klokkentoren in gotische stijl, met daarboven een terras, opgetrokken naar de plannen van Lassus.
Het schip, dat geen directe verlichting heeft, wordt overdekt door een gebroken tongewelf op gordelbogen; de grote gebroken boogreeksen rusten op vierkante pijlers die worden geflankeerd door zuilen. De kapitelen zijn grotendeels versierd met elegante rankwerk met parels en palmetten die lijken op die in Saint-Menoux en in het transept van Souvigny. Andere zijn versierd met rijen gedrongen figuren, zonder reliëf, die lijken op de door de Auvergne geïnspireerde figuren in de kerken van Bourbon, Souvigny en Yzeure. De basissen met twee voetringen rusten op achthoekige sokkels, waarvan sommige halverwege versierd zijn met een rij parels, net als in Buxières en Saint-Menoux. De zuidelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke kwartcirkelgewelf behouden, dat wordt gedragen door gordelbogen die ter hoogte van de pijlers rusten op zuilen met kapitelen. De noordelijke zijbeuk werd in de 15e eeuw voorzien van een kruisribgewelf met prismatische ribben en opengewerkte sluitstenen.
Aan de buitenzijde werd het portaal gerestaureerd in de 19e eeuw,welk zich opent onder een archivolt in rondboog met een decor van eivormige versiering dat onderlijnd wordt door een rij van parels, welk aan iedere zijde terugvalt op een kapiteel met rankenversiering. Deze bekroont een voetmuur die eveneens overvloedig versierd werd met links vervlochten draden en rechts met een brede meanderversiering. De binnenste booggordingen rusten op bijna volledig herdane colonnetten maar waarbij de versiering overvloedig is met kabelmotief, bloempjes, ineengevlochten lintvormige versiering met parels. Deze bootsen met een grote kracht het aspect na wat het oorspronkelijke ontwerp kon geweest zijn. Nog meer dan het Bourgondische schijnen zich hier enkele tradities van versiering van het Romaanse Italië te manifesteren temeer door de afhankelijkheid van de priorij van een abdij uit Piëmont zou dit een voldoende uitleg zijn.
Aan de buitenzijde is er verder niets interessants meer te vermelden zij het dan het defensieve metselverband die de noordelijke gootmuur bekroont die een rondgang inhield met machicoulis gedragen door kraagstenen. Eveneens zijn kleine kanongaten doorbroken in het metselwerk.
In 1897 stonden er achter het huidige koor nog overblijfselen van het zuidelijke kruisbeuk van het oorspronkelijke transept; de achtermuur was, net als in Souvigny, Chantelle, Sainte-Croix de Gannat en Ebreuil, versierd met twee blinde rondbogen, gedragen door zuiltjes en gescheiden door een mijterboog, volgens het ontwerp dat gebruikelijk is bij de grote romaanse kerken van de school van de Auvergne; daarboven bevonden zich twee ramen. Aan de buitenkant werd de absidiool ondersteund door steunbeer-zuilen, die halverwege, net als bij de koorzijdes van Souvigny en Saint-Menoux, werden omcirkeld door de rij van staafvormige kanteelversiering die over de muur liep.
Bronnen.
- Jean Dupont in Nivernais - Bourbonnais roman in Editions Zodiaque; la Nuit des Temps 45; Abbaye Sainte-Marie-de-la-Pierre-qui-vire 1976.
- Bruno Philip in "Auvergne romane"; Editions Faton, Dijon 2013.
- Marcel Géneremont en Pierre Pradel in "Eglises de France; Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1934.
Bijlagen.












































































































































































































