Zoeken in deze blog

maandag 27 juli 2026

Eglise Saint-Laurent te Auzon (Haute-Loire 43)

 Eglise Saint-Laurent 

te Auzon


Geschiedenis.
De stad Auzon ligt op een uitloper die uitkijkt op de vallei van de Allier en wordt begrensd door twee beekjes die aan het westelijke uiteinde van de uitloper samenvloeien. De naam Auzon zou teruggaan tot de Keltische periode; een Gallo-Romeinse grafinscriptie die in de muur van de kerk is ingebouwd, zou getuigen van de voortdurende bewoning van deze plek.  Aan het einde van de middeleeuwen was Auzon een ommuurde stad, waardoor het tot de „Bonnes Villes” van de Auvergne behoorde.
De stad beschikt over een koninklijk kasteel en een leenheerlijk kasteel, dat zich in de directe omgeving van Saint-Laurent bevindt.  De heren van Auzon spelen door de eeuwen heen een prominente rol in het leven van de collegiale kerk, en op veel decoraties zijn hun wapenschilden te zien, een teken van voortdurend mecenaat.  Aan het einde van de middeleeuwen bezaten zij in Saint-Laurent de kapel Notre-Dame du Rosaire, ook wel de Kapel van de Heren genoemd, waarin hun graven waren ondergebracht, met daarboven de kapel Saint-Michel die werd gebruikt voor begrafenisdiensten.  Hun verwanten, de heren van Rilhac, waren beschermheren van de naburige Sainte-Cathérine-kapel.  In 1117 schonk Aimeric I, bisschop van Clermont, Saint-Laurent d’Auzon aan de abdij van La-Chaise-Dieu.
De monniken van La-Chaise-Dieu hebben ongetwijfeld besloten tot de bouw van de huidige kerk, op de fundamenten van een primitief heiligdom waarover niets bekend is. Er volgden verschillende bouwfasen op elkaar. De plaatselijke geestelijkheid blijkt al vanaf de 13e eeuw georganiseerd te zijn in een gemeenschap of collegiale van twaalf priesters of geestelijken, die „choriers” werden genoemd en die tot aan de Revolutie bleef bestaan.  Onder de patroonsnaam Sint-Laurentius bewoonden deze klerken daadwerkelijk de kerk en zorgden zij voor het liturgische leven, de vrome stichtingen en de gedenkdagen.  Hun relaties met La Chaise-Dieu zijn niet precies bekend.  Het aantal leden bleef min of meer stabiel.  De gebruiken en gewoonten werden in 1345 vastgelegd.  Syndici leidden of vertegenwoordigden de gemeenschap, die via coöptatie werd aangevuld. De gemeenschap bezit onroerend goed, een gemeenschappelijke schatkist en een zegel.  De schatkamer van de kerk bevatte, sinds een onbekende datum, de beroemde „kist van Auzon“, een voorwerp uit de 8e eeuw van walrusivoor, afkomstig uit Northumbrie, in het huidige Groot-Brittannië, en versierd met figuratieve taferelen omlijst door runeninscripties.  In 1421 nam het kapittel de pastorie over, en de pastoor, die een prebende ontving, werd gekozen door de gemeenschap, waarvan hij het hoofd was en tegelijkertijd het parochieleven leidde. Het kapittel bestond uit een theologisch kanunnik, waarvan in de 17e eeuw melding wordt gemaakt, en een schoolmeester die een school leidde die openstond voor de elite van de stad.  De klokkentoren, die op instorten stond, werd in 1751 herbouwd.  In 1791 werd het kapittel opgeheven en werden de voormalige kanunniken verplicht de revolutionaire eden af te leggen, in navolging van Jean-Baptiste Allezard, doctor in de theologie en constitutioneel pastoor; sommigen zouden zich later hierop terugtrekken. Maar de kerk blijft een parochie.  Pastoor Cossac, die van 1848 tot 1855 pastoor was, schreef een monografie over de gemeente; pastoor Lespinasse, die van 1939 tot 1960 pastoor was, is een vooraanstaand geleerde die veel heeft gepubliceerd over de geschiedenis van de parochie, net als H. Virat, kapelaan van 1911 tot 1925, die de middeleeuwse muurschilderingen herontdekte. 
Het gebouw werd in de loop van de 19e eeuw meerdere malen gerestaureerd en voorzien van een sacristie.

Beschrijving.
De kerk, gelegen vlakbij het kasteel en op een van de hoogste punten van de stad, is gebouwd op een rotsachtige sokkel die is bijwerkt en ingericht tot een rotsplateau, een ware sokkel waarop het gebouw rust.  Uit het midden van de 12e eeuw is het schip bewaard gebleven, dat uit drie traveeën bestaat, waarvan de eerste twee zijn voorzien van een gebroken tongewelf en de derde van een koepel op pijlers die de klokkentoren ondersteunen.  
Het koor, dat ten opzichte van het schip naar het zuiden is verschoven, stamt waarschijnlijk uit een andere bouwfase die zeker uit het einde van de 12e eeuw dateert. Het bijzondere aan dit koor is dat het bestaat uit een rechte travee en een halfronde apsis, waarrond drie nissen met dezelfde vorm uitstralen, die elk in de dikte van de vijfhoekige muur van het koor zijn uitgespaard.  Ze komen uit op de apsis via geprofileerde halfronde bogen die worden gedragen door zuilen met bladkapitelen.  De apsis en de absidiolen worden overdekt door gewelven in halfkoepel.  In de rechte travee, die is overdekt met een gebroken tongewelf, stonden vroeger de koorstoelen van de kanunniken, die vandaag de dag verdwenen zijn. De zijmuren zijn voorzien van een dubbele booggalerij die op afsluitstukken rusten.
De kerk telde vroeger vijf kapellen, waarvan er twee op de bovenverdieping lagen en bereikbaar waren via een houten gang uit de 15e eeuw, die op kraagstenen rustte en in het verlengde van de tribune lag.  De Sint-Catharinakapel bevindt zich in de noordwestelijke hoek.  Daarna volgt de Onze-Lieve-Vrouwekapel, die uitkomt op de tweede noordelijke travee, tegenover de ingang, en de bovenverdieping wordt overschaduwd door de Sint-Michielskapel.  Vervolgens komt de Sint-Pieterskapel, die dateert uit de renaissance en uitkijkt op de derde travee; deze is vergroot om als sacristie te dienen.  Een kapel overwelfd met kruisribben, gelegen aan de zuidzijde, is gebouwd boven het ingangsportaal; deze zou hebben gediend als kapittelzaal voor de kanunniken.  Een Sint-Sebastiaankapel, die zich buiten aan de zuidwestzijde van het zuidelijke portaal bevond, is in 1855 verdwenen.  De vierkante klokkentoren met vierkante basis is vrijdragend op de steunberen gebouwd.  Terwijl het westportaal slechts een bescheiden opening is in een onversierde gevel, is de zuidelijke ingang, die ruimer is, opgenomen in een rijkelijk bewerkt monumentaal geheel.  Deze wordt voorafgegaan door een uitbouw bestaande uit een portiek met daarboven een hoge kapel, naar het voorbeeld van Saint-Julien te Brioude.








De eerste verdieping, met graatgewelven, die via drie ruime dubbele rondboogreeksen grotendeels naar buiten toe geopend is, komt bijzonder goed tot zijn recht door twee kapitelen met een rijke iconografie.  Een daarvan is gewijd aan de Kindertijd van Christus, met afbeeldingen van de Aankondiging, de Geboorte en de Aankondiging aan de herders. De andere zou Daniel in de leeuwenkuil kunnen voorstellen, omringd door allerlei monsters en een mysterieus gevecht tussen kleine figuurtjes.  De meest opmerkelijke artistieke elementen zijn echter te vinden aan het kooreinde, waarvan de contrasterende lijnen en de binnenste boogreeksen – geïnspireerd op een doopkapel met hoeknissen zoals in Fréjus – zouden wijzen op een uitgesproken interesse voor de vroegchristelijke architectuur, waarvan de herinnering nog steeds zichtbaar is in andere eenbeukige kerken in de Auvergne, en de Vélay, zoals Anne Courtillé opmerkt, bijvoorbeeld in Notre-Dame de Beaulieu, Notre-Dame de Mailhait en Saint-Cirques-et-Saint-Ferréol d’Andelat. Het spel van de buitenste boogreeksen is op zijn beurt afkomstig van een wijdverbreide praktijk in het naburige Vélay. 
Het portaal telt verschillende kapitelen met figuratieve versieringen waarvan het beeldhouwwerk opmerkelijk is, maar het grootste deel van de gebeeldhouwde buitenversiering is geconcentreerd op het veelhoekig kooreinde: een kroonlijst met druiprand, gedragen door figuratieve en decoratieve modillons; een boog met nis, gedragen door zuiltjes met gebeeldhouwde kapitelen; een doorlopende band bestaande uit kransen van eierlijsten die ter hoogte van elke boog een archivolt vormen.  De zeldzame smeedijzeren scharnieren en voluten, die de twee vleugels van de toegangsdeuren sieren, bevatten acht gebeeldhouwde hoofden, zowel dierlijke als menselijke, evenals belangrijke overblijfselen van de oorspronkelijke bekleding met everzwijnhuiden.

























Bronnen.
- Anne Courtillé, Stefan Manciulescu, Jean-Denis Schauer, Martin de Framont en Bernard Gallant in "Eglises de Haute-Loire" Edité par Phil'Print; 2015.
- Bruno Philip in "Auvergne romane"; Editions Faton; Dijon 2013.



Bijlagen.
-



zondag 26 juli 2026

Eglise Saint-Mathieu te Espalem (Haute-Loire 43)

 Eglise Saint-Mathieu 

te Espalem


Geschiedenis.
In 1119 plaatste de bul van paus Calixtius II het kapittel van Brioude onder de directe bescherming van de Heilige Stoel, waarmee het bezit van de abdij en de kerken, waaronder Espalem, werd bevestigd.  In 1213 erkende Innocentius III de rechten van het kapittel, met inbegrip van de tienden van Espalem, waar het de volledige rechtspraak uitoefende.  Het kapittel benoemde een pastoor.  De kerk met één schip dateert uit de 12e eeuw; vóór 1843 werden er drie kapellen aan toegevoegd, één aan de zuidzijde en twee aan de noordzijde, die samen een echte zijbeuk vormden.
In 1846 werd door architect Saply een klokkentoren met spits gebouwd; deze werd in 1854 herbouwd, maar de spits brandde op 22 juli 1924 af en werd in 1926 opnieuw opgebouwd.

Beschrijving.
De twee traveeën van het schip mondden oorspronkelijk uit in een rechthoekig, niet-uitspringend koor en een apsis. Zoals gebruikelijk – wat nog goed te zien is in de laatste travee aan de noordzijde – waren de gootmuren overspannen door paren bogen, die later werden uitgehold om de zijkapellen te creëren, waarbij de oude halfkolommen afzonderlijk op hun plaats werden gelaten. Ze waren overdekt met rondbogen en rustten op hoekpijlers met een eenvoudige impost. De gewelven van de zijaanbouwen zijn aan de noordzijde graatgewelven en aan de zuidzijde tongewelven; de fijn gemetselde stenen verwijzen door hun miniumkleur naar de sluitstenen van de oorspronkelijke bogen.
In het oosten rust een diafragmaboog op hoekpijlers met imposten, en de triomfboog met dubbele gording is nauwelijks overschreden. Een koepel op ovale trompen gaat vooraf aan de lager gelegen halfkoepel. Daar omlijsten vijf rondbogen op zuiltjes met attische voetstukken vijf raamopeningen met 19e-eeuwse glas-in-loodramen.  De bovenste rand van de sokkel wordt benadrukt door een lijst en parels, terwijl palmetten zich verticaal uitstrekken over de pijlers bij de ingang van het kooreinde.
De buitengevel is gepleisterd, met uitzondering van de raamkozijnen en de steunberen, die zijn opgebouwd uit regelmatig geordende, veelkleurige stenen. Opvallend is dat de ramen van het koor en de apsis dezelfde vorm hebben, met een lichte afschuining. Aan de zuidzijde, op de hoofdas van het dorp, bevindt zich een sobere ingang; de deur en het lijstwerk dateren uit de 16e eeuw. 




De kraagstenen van de modillions, zijn de belangrijkste blikvangers van het sobere koor. We zien er menselijke en dierlijke afbeeldingen, zoals een adelaar, een aapachtig wezen dat zijn poten op een gezicht legt dat lijkt op dat van de engelen aan de binnenzijde, een rundachtig hoofd of een besnorde kop met dikke lippen of een open bek.  Een reeks die lijkt op die van Blesle, maar van mindere kwaliteit is.  Op de kroonlijst zijn de parels identiek aan deze van de binnenzijde.







Bron.
-  Anne Courtillé in "Eglises de Haute-Loire"; Edité par Phil'Print; 2015.


Bijlagen.
-https://www.google.com/maps/d/u/0/viewer?hl=es&mid=1Es9lhkufP2jeZWXT2iNXv0Sl06fIMJVE&ll=45.312688702496644%2C3.419611259277371&z=11

donderdag 23 juli 2026

Eglise Saint-Sébastien te Manglieu (Puy-de-Dôme 63)

 Eglise Saint-Sébastien 

te Manglieu




Beschrijving.
Afgelegen van de hoofdwegen, aan de rand van een bosgebied, staan twee kerken in een charmant dorpje met een zuidelijke uitstraling. De ene is statig, de andere vervallen.
De abdijkerk werd in het midden van de 7e eeuw gesticht door de bisschop van Clermont, de heilige Genès, en haar oorsprong werd beschreven in de levensbeschrijving van de heilige Bonnet, die in de 8e eeuw werd opgesteld.  De kerk werd beschermd en begiftigd door Karel de Grote, Lodewijk de Vrome en Lodewijk de Zachtmoedige, waardoor zij in een kader kwam te staan waarin centrale en bisschoppelijke autoriteit samenkwamen.
De stichting ervan werd tussen 812 en 813 bevestigd en de monniken verkregen in 828 relikwieën uit Soissons, dankzij hun banden met Noord-Frankrijk.  In de levensbeschrijving van de heilige Bonnet wordt de abdij beschreven met haar kloosteromheining, haar twee kerken, haar kloostergang en diverse bijgebouwen; de Notre-Dame bestaat uit een vierhoekig hoofdgebouw en een vijfhoekige toren versierd met bogen; de Saint-Sébastien is overwelfd met een houten constructie, met bewerkte balken en zijn beuken die worden gescheiden door bogen, gedragen door zuilen in antieke stijl.
Het koor behoort tot de kerk die in de 8e eeuw werd beschreven, terwijl het schip het resultaat is van een restauratie door abt Prat in 1517.  De romaanse westgevel daarentegen werd tussen 1868 en 1988 voltooid en gerestaureerd.  Deze kerk bestaat uit een massief westgedeelte, een schip met vijf traveeën en zijbeuken, een recht koortravee en een vlak kooreinde.  Hierin zijn sporen bewaard gebleven van een gevel uit de 7e eeuw, die veel overeenkomsten vertoont met de opbouw van het baptisterium Saint-Jean in Poitiers.  Aan de buitenzijde zijn verschillende raamopeningen zichtbaar, evenals een kroonlijst met elementen van terracotta – modillions, de schuine wanden van een fronton, hoekverbindingen van grof metselwerk, hergebruikte elementen – sarcofagen, en dakbedekkingsmaterialen. Het geheel vertoont sporen van restauraties uit de 9e eeuw, voordat er in de 13e eeuw een dakconstructie werd aangebracht.  Binnenin wordt de triomfboog gekenmerkt door twee marmeren zuilen en twee klassieke „Aquitaanse” kapitelen van wit marmer; Korinthische profielen, hollijsten, gekartelde lobben, strakke opbouw en uitvoering.  Deze kapitelen vertonen overeenkomsten met die van Saint-Alyre, Poitiers, Selles-sur-Cher, Vertou en Jouarre.













Het schip vertoont romaanse overblijfselen en bezit nog een rijkelijk gebeeldhouwd portaal met vijf gordingen, een archivoltlijst, steunen in uitstek met zuiltjes en verweerde kapitelen. Deze dateert waarschijnlijk uit het tweede kwart van de 12e eeuw en is dus jonger dan het westelijke massief uit het eerste kwart dat in de 16e eeuw van een klokkentoren werd voorzien en in de 19e eeuw werd gerestaureerd. De eerste twee verdiepingen zijn echter bewaard gebleven; ze volgen het Karolingische model van een lage voorhal overwelfd met een graatgewelf, terwijl de tribunes worden gekenmerkt door twee naar het westen gerichte apsissen, twee paarsgewijze bogen en een drievoudig raam dat onder een boog is geplaatst en zo een open raamwerk vormt. De romaanse kenmerken van deze gevel komen tot uiting in de nissen met Korinthische kapitelen zonder gravures, evenals in de gebeeldhouwde platen met een griffioen en vlechtwerk. Het geheel is indrukwekkend, niet alleen vanuit het flamboyante schip, maar ook van buitenaf, door de monumentaliteit die deze gemetselde gevel uitstraalt, die verstoken is van elke versiering en weinig openingen vertoont.  In het voorschip bevindt zich een verzameling van beeldhouwwerken met een sarcofaag, koorstenen en kapitelen. 















































Deze kerk grenst in het noorden aan de overblijfselen van een kloostergang en in het zuiden aan die van de Notre-Dame-kerk.







Bronnen.
- Bruno Phalip in 'Auvergne romane, itinéraires romanes"; Editions Faton; Dijon 2013.
- Bruno Craplet in "Auvergne romane"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 2; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1992.

Bijlagen.