Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label koor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label koor. Alle posts tonen

zondag 26 juli 2026

Eglise Saint-Mathieu te Espalem (Haute-Loire 43)

 Eglise Saint-Mathieu 

te Espalem


Geschiedenis.
In 1119 plaatste de bul van paus Calixtius II het kapittel van Brioude onder de directe bescherming van de Heilige Stoel, waarmee het bezit van de abdij en de kerken, waaronder Espalem, werd bevestigd.  In 1213 erkende Innocentius III de rechten van het kapittel, met inbegrip van de tienden van Espalem, waar het de volledige rechtspraak uitoefende.  Het kapittel benoemde een pastoor.  De kerk met één schip dateert uit de 12e eeuw; vóór 1843 werden er drie kapellen aan toegevoegd, één aan de zuidzijde en twee aan de noordzijde, die samen een echte zijbeuk vormden.
In 1846 werd door architect Saply een klokkentoren met spits gebouwd; deze werd in 1854 herbouwd, maar de spits brandde op 22 juli 1924 af en werd in 1926 opnieuw opgebouwd.

Beschrijving.
De twee traveeën van het schip mondden oorspronkelijk uit in een rechthoekig, niet-uitspringend koor en een apsis. Zoals gebruikelijk – wat nog goed te zien is in de laatste travee aan de noordzijde – waren de gootmuren overspannen door paren bogen, die later werden uitgehold om de zijkapellen te creëren, waarbij de oude halfkolommen afzonderlijk op hun plaats werden gelaten. Ze waren overdekt met rondbogen en rustten op hoekpijlers met een eenvoudige impost. De gewelven van de zijaanbouwen zijn aan de noordzijde graatgewelven en aan de zuidzijde tongewelven; de fijn gemetselde stenen verwijzen door hun miniumkleur naar de sluitstenen van de oorspronkelijke bogen.
In het oosten rust een diafragmaboog op hoekpijlers met imposten, en de triomfboog met dubbele gording is nauwelijks overschreden. Een koepel op ovale trompen gaat vooraf aan de lager gelegen halfkoepel. Daar omlijsten vijf rondbogen op zuiltjes met attische voetstukken vijf raamopeningen met 19e-eeuwse glas-in-loodramen.  De bovenste rand van de sokkel wordt benadrukt door een lijst en parels, terwijl palmetten zich verticaal uitstrekken over de pijlers bij de ingang van het kooreinde.
De buitengevel is gepleisterd, met uitzondering van de raamkozijnen en de steunberen, die zijn opgebouwd uit regelmatig geordende, veelkleurige stenen. Opvallend is dat de ramen van het koor en de apsis dezelfde vorm hebben, met een lichte afschuining. Aan de zuidzijde, op de hoofdas van het dorp, bevindt zich een sobere ingang; de deur en het lijstwerk dateren uit de 16e eeuw. 




De kraagstenen van de modillions, zijn de belangrijkste blikvangers van het sobere koor. We zien er menselijke en dierlijke afbeeldingen, zoals een adelaar, een aapachtig wezen dat zijn poten op een gezicht legt dat lijkt op dat van de engelen aan de binnenzijde, een rundachtig hoofd of een besnorde kop met dikke lippen of een open bek.  Een reeks die lijkt op die van Blesle, maar van mindere kwaliteit is.  Op de kroonlijst zijn de parels identiek aan deze van de binnenzijde.







Bron.
-  Anne Courtillé in "Eglises de Haute-Loire"; Edité par Phil'Print; 2015.


Bijlagen.
-https://www.google.com/maps/d/u/0/viewer?hl=es&mid=1Es9lhkufP2jeZWXT2iNXv0Sl06fIMJVE&ll=45.312688702496644%2C3.419611259277371&z=11

maandag 20 juli 2026

Eglise Saint-Pierre te Dampierre-sur-Boutonne (Charente-Maritime 17)

 Eglise Saint-Pierre 

te Dampierre-sur-Boutonne




Geschiedenis.
Op deze plek zou een kapel zijn gesticht nadat na een onweer de afdruk van een sleutel in een rots was ontdekt, die werd gezien als de sleutel van Sint-Petrus. Deze kapel was deze die van het eerste kasteel van Dampierre, voordat het in de 11e eeuw een kerk werd. De historische geldigheid van dit document is echter al sinds het einde van de 19e eeuw op grote schaal weerlegd. Het bestaan van een dergelijke kapel zou dus nog moeten worden bewezen.
De kerk wordt vanaf de 11e eeuw in geschriften vermeld, in dit geval in het cartularium van de abdij Saint-Cyprien in Poitiers. In een oorkonde van vóór 1060 schenken de broers Rabiola, de heren van de plaats, de monniken van Saint-Cyprien de drie kerken van Dampierre. Het gaat om Saint-Pierre, vlakbij het eerste kasteel, Saint-Vincent, naar het schijnt iets lager gelegen, en Saint-Hilaire, in het gelijknamige dorp. Van deze drie heeft alleen de Sint-Pieterskerk de eeuwen doorstaan: Sint-Vincent is waarschijnlijk al heel vroeg verdwenen, Sint-Hilaire bestond tijdens de Franse Revolutie niet meer, maar de begraafplaats was er nog wel. De locatie van de kerk en de begraafplaats werden verkocht als nationaal bezit.
De Sint-Pieterskerk was zowel een parochiekerk als een priorij. De priorij, die in geschriften wordt vermeld, zou aanvankelijk door karmelieten zijn bewoond. Volgens de monografie van abbé Noguès zouden de karmelieten tijdens de godsdienstoorlogen zijn verdreven. In de 18e eeuw zou abbé de Girardon de enige pastoor van Dampierre zijn geweest die de titel van prior droeg. De priorij zou gebouwen ten noorden van de kerk hebben omvat, wat twijfelachtig lijkt aangezien er op het Napoleontische kadaster van 1835 slechts twee kleine gebouwen ten noorden van de kerk staan aangegeven, tenzij deze vóór die datum volledig zijn afgebroken.
Alleen de noordmuur van het schip zou uit de 11e eeuw kunnen dateren; het koor en de apsis zijn in de loop van de 12e eeuw toegevoegd. De aanzetten van het rondbooggewelf zijn nog zichtbaar. Over de hypothese dat de oorspronkelijke kerk een transept had, bestaat geen eensgezindheid onder de auteurs die de kerk hebben bestudeerd. Het beeldhouwwerk van de romaanse delen vertoont overeenkomsten met dat van de kerken van Aulnay en Nuaillé. Tijdens een restauratie in 1937 werden merktekens van steenhouwers aangetroffen die vergelijkbaar zijn met die in de apsis van Aulnay (C en W), wat erop wijst dat dezelfde arbeiders op beide bouwplaatsen hebben gewerkt.
De kerk is rond de 15e eeuw ingrijpend verbouwd, mogelijk na een instorting van de gewelven en de klokkentoren: de westgevel en de zuidmuur van het schip zijn opnieuw opgebouwd, evenals de bovenste delen van de apsis. Er moest een kruisribgewelf worden gespannen over de romaanse zuilen van het schip: dit is ongetwijfeld nooit voltooid, er zijn alleen nog zuilbasissen over. De klokkentoren, die boven het schip stond en rustte op een koepel met pendentieven, is waarschijnlijk ingestort: hij werd vervangen door het traptorentje, dat als enige overeind bleef staan en werd omgebouwd tot de nieuwe klokkentoren.
In de eerste helft van de 16e eeuw werd ten zuiden van het koor een ruime herenkapel in renaissancestijl aangebouwd. Dit is de kapel van de familie Clermont, die in dezelfde periode het kasteel van Dampierre liet bouwen. Het cassettegewelf is geïnspireerd op de gewelven die te zien zijn in de galerijen van het kasteel. Deze kapel beschikte over een afsluiting waarvan slechts een overblijfsel onder een van de grote bogen bewaard is gebleven.
Met de Franse Revolutie werd Dampierre een nevenparochie waaronder de parochies van La Villedieu en Saint-Séverin vielen. De kerk wordt aan het begin van de 19e eeuw beschreven als in goede staat en toereikend voor de bevolking. De sacristie staat vermeld op het Napoleontische kadaster van 1835 en zou uit het begin van de 19e eeuw kunnen dateren. In 1854 liet pastoor Merlin een koorhek (dat ten minste sinds de 17e eeuw bekend was) verwijderen, dat het schip van het koor scheidde en het zicht op het altaar vanuit het schip belemmerde. De steunmuur aan de voet van de westgevel werd in 1875-1876 aangelegd.
De kerk onderging in 1937 een volledige restauratie, onder leiding van architect J. Daugrois en uitgevoerd door aannemer Loiseau. Het gebouw werd bij besluit van 21 november 1969 geklasseerd als historisch monument. 

Beschrijving.
Het schip, dat ernstig is beschadigd, is sinds het einde van de middeleeuwen meerdere malen gerenoveerd, en van de romaanse constructie zijn slechts enkele sporen overgebleven – met name een oude rondboogdeur in de noordmuur.  De muren rusten op romaanse halfzuilen, waarboven aan de noordzijde het begin van rondbogen en aan de zuidzijde het begin van kruisribgewelven te zien zijn.








De gehele zuidzijde, waartegen een renaissancekapel aansluit, is herbouwd.  De koortravee en de apsis van het koor hebben daarentegen een groot deel van hun romaanse buitengevel behouden, voornamelijk aan de noordzijde en aan de oostelijke uiteinde.










De bogen vormen de steunpilaren waartussen de steunzuilen staan, baken de traveeën duidelijk af en omsluiten de vensters met zuiltjes. Hoewel de samenstelling van de gevel zelf, uitgevoerd in prachtig gehouwen natuursteen, doet denken aan Aulnay, bevestigen de kapitelen van de vensters en bogen deze invloed duidelijk, waarbij de stijl van het schip van de Sint-Pieterskerk van Aulnay opvalt.  Met name op een kapiteel boven het middelste raam is een figuur afgebeeld die enkele gewijde broden omhoog houdt, waarvan Aulnay het eerste exemplaar toont. Ook vallen een mooi masker, een kapiteellichaam versierd met drie hoofden en een derde met vogels op te midden van meer sobere plantmotieven.













Aan de binnenzijde hebben de ramen eveneens archivolten in de vorm van diamantpunten en zuiltjes met gebeeldhouwde kapitelen. Friezen met halve besants verbinden de raamopeningen met elkaar en sieren de onder- en bovenkant van de muren.















Bron.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Aunis-Saintogne"; Geste éditions; La Crèche 2007.
- Jacques Lacoste in "La sculpture romane en Saintogne"; Christian Pirot éditions; Tours 1998.



Bijlagen.
-https://www.google.com/maps/d/viewer?mid=1jmyfHynIAjiqSPviHL0K_-MTB0M&ll=46.05327811251405%2C-0.5706001526568083&z=11