Eglise Saint-Michel
te Saint-Michel d'Entraigues
Geschiedenis.
De kerk van Saint-Michel-d'Entraigues, die uitkijkt over een bocht van de Charente, op 3 km in vogelvluicht stroomafwaarts van Angoulême, trekt al geruime tijd de aandacht van commentatoren vanwege haar zeer bijzondere, symmetrische vorm: een achthoek omgeven door acht absidiolen.
De stichting van de kerk Saint-Michel-d'Entraigues wordt vermeld in een passage uit de Latijnse kroniek van de abdij van La Couronne, een manuscript uit het begin van de 13e eeuw, dat als volgt luidt: "En l'an du Seigneur 1137 fut construite et édifiée l'église Saint-Michel-d'Entraigues en l'honneur et pour la gloire de Dieu et la Vierge Marie enfin d'y recevoir les pauvres du Christ. L'église de Saint-Michel-d'Entaigues est située et fondée à l'extrémité et limites de la paroisse Saint-Jean-de-la-Palued". Deze tekst is zeer leerzaam. Hij geeft ons allereerst de datum en, althans op het eerste gezicht, de redenen voor de stichting. We weten dat Lambert in 1137 bisschop van Angoulême was; hij was de opvolger van Giraud II de Blay, die sinds 1130 schismatiek was en in 1136 overleed; Lambert bekleedde naast het bisschopsambt ook het abtschap van Notre-Dame de La Couronne, dat hij had behouden nadat hij rond 1120 onder de regel van de reguliere kanunniken, de zogenaamde Augustijnen, dit klooster had gesticht, dat in 1122 door bisschop Girard werd ingewijd.
Oorspronkelijk was de Sint-Michielskerk geen parochiekerk, maar viel ze onder de parochie Sint-Jan-de-la-Palud, tegenwoordig La Couronne. Het gebouw ligt op een kleine heuvel, wat logisch is gezien de naam; de naam zelf verwijst al naar de ligging, “tussen de wateren”, namelijk de rivier de Charente in het noorden, de zijriviertjes Eaux-Claires in het oosten en de Charreau in het westen, en niet te vergeten het parochiegebied in het zuiden, midden in de moerassen en veengebieden.
Nu moeten we ons nog nader afvragen wat het gebruik van "ad recipiendum inibi paurperes Christi" is, en of we daar de vraag aan toe moeten voegen van "vivos aut mortuos" ? Verschillende auteurs die zich met deze kerk hebben beziggehouden, beschrijven haar als een plek die bestemd was om pelgrims te ontvangen. Ze ligt namelijk aan een belangrijke zijweg van de grote route naar Spanje en Santiago de Compostella, de zogenaamde „Santonnensis“, een kortere route die vanuit Poitiers via Charroux, Angoulême, Aubeterre en La Réole loopt.
Het gebouw, waar men in het koor voor het altaar van de aartsengel de eed aflegde, kwam onder het beheer van het bisdom en werd een parochiekerk, hetzij vóór 1273, hetzij in 1450. Waarschijnlijk zwaar beschadigd door de hugenoteninvallen van 1562 en 1598-1569, is er weinig over bekend vóór 1596, toen rovers de priesterlijke gewaden stalen. Na een lange periode van verwaarlozing, die pas eindigt met de daadwerkelijke regering van Hendrik IV, wordt de kerk onderworpen aan herstelwerkzaamheden waarvan de aard onbekend is, maar waarvan het bedrag in 1605 voor 1/3 wordt betaald. In de 17e eeuw stortte het gewelf in en een zekere mevrouw Bareau de Girac betaalde uit eigen zak de bouw van een dakconstructie boven de kerk. Gaat het hier om de reparaties aan het dak die in 1644 werden uitgevoerd? Dat is onbekend. De Revolutie lijkt nauwelijks invloed te hebben gehad op de kerk, hoewel het meubilair en de liturgische voorwerpen uit de pastorie werden weggehaald en voor de portaal werden verbrand. De eredienst werd in 1800 hersteld. Tussen 1800 en 1846 vinden er verschillende statutenwijzigingen plaats; de parochie, die in 1806 werd opgeheven, wordt toegevoegd aan Saint-Ausone d'Angoulême, een verandering die in 1846 officieel wordt erkend. Vervolgens wordt ze weer een zelfstandige parochie, wat ze tot op heden is gebleven.
Maar al in 1841 werd de kerk geklasseerd als historisch monument. In 1843 was het dak, ondanks enkele eerdere werkzaamheden, in zeer slechte staat; er volgden nog meer herstelwerkzaamheden tot aan de ingrijpende restauratie door Paul Abadie, die vijf jaar zou duren, van 1848 tot 1853. Op 26 september 1852, nog voordat deze voltooid was, werd de kerk opnieuw ingewijd. In 1898 werd in de omgeving een vrijstaande, achthoekige klokkentoren gebouwd. Omdat deze als te bescheiden werd beschouwd, werd hij kort daarna vervangen door de huidige, vierkante toren met een afgeknotte kegelvormige spits.
Beschrijving.
De Sint-Michielskerk bestaat uit twee duidelijk te onderscheiden delen. Enerzijds de benedenverdieping, die overeenkomt met het niveau van de absidiolen, en die in haar geheel uit de 12e eeuw dateert, hoewel er later verbouwingen hebben plaatsgevonden die we hier moeten vermelden; de bovenbouw anderzijds, de verdieping met de ramen en het stenen dak, een totale reconstructie van Paul Abadie die voor een groot deel uit verbeelding en vervorming bestaat. De achthoekige plattegrond, omringd door absdiolen aan zijn acht zijden, heeft veel aandacht getrokken van specialisten. In de Angoumois uit de romaanse periode hebben de veelhoekige apsis met zeven aan elkaar rakende absidiolen van de abdijkerk van Puypéroux, kenmerkend voor de vroege romaanse kunst in het westen, en die van Montbron, die aan het einde van de 11e eeuw de bouwer van Saint-Michel geïnspireerd kunnen hebben, evenals de rotonde met drie bijna aan elkaar rakende absidiolen van de kasteelkapel van Montmoreau, die dateert uit de eerste decennia van de 12e eeuw. Er is ook een parallel gelegd tussen de kerk en de vervallen priorij van Trizay, in Saintogne, die zeker van latere datum is, een gebouw dat qua plattegrond wellicht een grote achthoek vormde met drie stralende apsissen aan de drie oostelijke zijden.
Plan volgens Charles Daras
Aan de westzijde verklaart de aanwezigheid van het portaal, dat als enige ingang van de kerk dient, de afwezigheid van ramen in de absidiool, gezien de ruimte die het in beslag neemt. Deze kapel was vóór 1848 in plattegrond meer afgeplat dan de andere, en Michon verklaart dit door de noodzaak om plaats te bieden aan de vlakke plaat van het timpaan, die in die tijd boven de archivolt van datzelfde portaal was teruggeplaatst, terwijl Abadie en, in zijn voetsporen, L.B. Lafarge, denken dat de absidiool was herbouwd tijdens de restauratie van de 17e eeuw, waarbij het gewelf werd voorzien van een klokkentoren met twee bogen en, aan de voorkant, een toegangstrap. Gezien de gewoonte van Abadie om in zijn schetsen te vermengen wat hij zag en wat hij van plan was te doen, kan men niet anders dan terughoudend zijn ten aanzien van deze tweede interpretatie.
Het portaal in rondboog heeft een omlijsting met twee boogsegmenten en een archivolt die het monolithische timpaan omkadert, dat weer op zijn oorspronkelijke plaats is teruggeplaatst. Dit timpaan is gewijd aan de strijd van de aartsengel met een aureool, wijd uitgespreide vleugels en een schild met een kruis, tegen de demon, een gevleugelde slang die hij vertrapt en doorboort met zijn schuine speer, en waarvan de ringen zich nerveus om het onderste deel van de compositie wikkelen. In de afschuining die als kader dient, staat een inscriptie met de volgende tekst: "Faltum, voor factum est proelium in caelo Michael proeliabatur cum dracone". Van de oorspronkelijke kleurstelling van het reliëf zijn sporen van rode oker overgebleven. De compositie als geheel is uitstekend uitgebalanceerd en getuigt van een krachtige dynamiek, maar de modellering doet wellicht geen recht aan de uitmuntende lijnvoering van de compositie. Bovendien wijken de stijl en de techniek af van die van de verschillende ateliers die elkaar in Saint-Pierre d'Angoulême hebben opgevolgd. Het hoofd van de heilige is vernieuwd. Dit verklaart de opvallende saaiheid ervan. Alle grafische documenten van vóór 1848 toonden een bewerkt gezicht. Een ander bijzonder kenmerk van dit portaal is dat er geen linteel meer te zien is, en deze is ook niet hersteld, omdat het huidige niveau van de drempel niet overeenkomt met dat van de 12e eeuw, dat aanzienlijk lager lag.
Twee smalle blinde bogen ten noorden en twee soortgelijke bogen ten zuiden van het portaal omlijsten deze en beslaan samen met het portaal de volledige breedte van de westelijke absidiool. Hun enige booglijst, onder een afgeschuinde archivolt, wordt aan weerszijden ondersteund door een zuiltje. Deze zuiltjes leunen tegen een gemeenschappelijke pilaster, waarop de kapitelen rusten, die doorlopen in imposten. De twee aangrenzende absidiolen vertonen de voortzetting van dit decor met boogreeksen in de vorm van drie onderling gelijke bogen, maar breder dan de voorgaande gezien de afwezigheid van een deur in het midden van de kapellen, waarvan ze slechts de helft versieren, waarbij de buitenste bogen van de compositie eindigen onder het raam dat het midden ervan inneemt en dat bijgevolg iets korter is dan dat van de absidiolen zonder bogen. De charme van deze reeks bogen wordt geaccentueerd door het gevarieerde spel van vegetarische rankversiering die over alle booglijsten lopen. Dit decor vertaalt duidelijk de indeling van de benedenverdieping van de kathedraal van Angoulême naar gebogen oppervlakten, een innovatie die rond 1118 indruk maakte op tijdgenoten en waarvan, zoals we zien, noch de belangstelling noch de aanpassingsmogelijkheden twintig jaar later waren uitgeput.
De indeling van de binnenzijde is zeer harmonieus. Elk van de absidiolen, overwelfd met een halfkoepel, is van haar buur gescheiden door een grote, vrijstaande monolietkolom waarvan het machtige bladkapiteel het beginpunt vormt van de licht verlaagde rondbogen die de ingang van de halfkoepels vormen, en die een dunne, vrij uitstekende steunmuur draagt, even hoog als de kolom zelf, en voorzien van een kleiner pilasterkapiteel; een opstand met twee niveaus die, mutatis mutandis, opmerkelijk veel doet denken aan de interne indeling van de moskee van Córdoba.
Elke absidiool, behalve die bij de ingang, wordt in het midden verlicht door een kort rondboograam. De buitenste uitstek van de boog rust op twee zuiltjes met kapitelen met plantendecor; alleen het raam in het midden van de oostelijke absidiool wordt aan weerszijden omlijst door drie op gelijke afstand van elkaar geplaatste zuiltjes die tegen de muur staan en elk de helft van de halve cirkel innemen. Hun kapitelen met plantenmotieven dragen geen bogen, maar een afgeschuinde band die als architravus fungeert, aan de onderkant versierd met rozen en op de schuine rand met kabelversiering en zigzaggevouwen linten. Deze band, die de halfkoepel benadrukt, wordt in het midden onderbroken door de boog van de vensteropening die tot op de eerste steunpunten van het gewelf reikt. Deze neiging om de oriëntatie van de kerk door middel van rijkere versieringen te benadrukken, is ook aan de buitenkant van dezelfde apsis te zien en komt tot uiting in de boogreeksen die aan de buitenzijde het westelijke portaal omringen.
Wat de restauratie betreft, bestaat er twijfels over de authenticiteit van bepaalde beeldhouwwerken. Van de grote, 57 cm hoge kapiteellichamen die de monolithische zuiltjes bekronen en tussen elke absidiool zijn geplaatst, zijn slechts vijf op de acht authentiek; drie daarvan zouden zijn bijgewerkt. De kleine kapiteellichamen boven de kleine zuilen bij de ramen zijn waarschijnlijk oud, maar de versiering rondom de naar het oosten gerichte absidiool is grotendeels vernieuwd. Bovendien zijn de acht pilasters boven de grote zuilen volledig vernieuwd, en zijn vijf van hun kapitelen tijdens de restauratie eveneens vernieuwd, “in steen uit Nersac”. De meeste oude kapiteelversieringen zijn voorzien van een plantenmotief. Er is gekeken naar de invloed van de kathedraal van Angoulême en de gelijkenis met beeldhouwwerken in verschillende kerken van het bisdom.
Bronnen.
- Pierre Dubourg-Noves in "Congrès archéologique de France; Charente 153 session 1995; Imprimerie Daupeley-Gouverneur; Nogent-le-Rotrou 1999.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Charente; Geste éditions; La Crèche 2010.
- Chares Daras in "Angoumois roman"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 14; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1961.
- Jean George in "Les églises de France, Charente"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1933.
Bijlagen.




























































