Eglise Saint-Jacques
te Conzac;
Saint-Aulais-le-Chapelle
Beschrijving.
Vanwege haar landelijke ligging, het ochtend- of avondlicht dat haar stenen doet zingen, en de kwaliteit van haar architectuur en gebeeldhouwde versieringen is de Sint-Jakobskerk een van de meest aantrekkelijke monumenten van de Charente.
Het dorp Conzac, dat tegenwoordig samen met Saint-Aulais en La Chapelle één gemeente vormt, herbergde vroeger een kleine priorij van de orde van Cluny, waarvan de patroonheilige mogelijk verband houdt met de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. De vestiging, die al tijdens de Honderdjarige Oorlog zwaar te lijden had, werd tijdens de godsdienstoorlogen volledig verwoest.
De kerk zelf, die tegenwoordig eenzaam in een weide staat, verloor de zuidelijke arm van het transept, terwijl het éénbeukige schip in de 17e eeuw grotendeels werd herbouwd, waarschijnlijk met materiaal afkomstig van de sloop. Men ontwaart aldus een verminkt, maar zeer goed gerestaureerd gebouw. Het heeft nog een romaanse apsis en de noordelijke arm van het transept, voorzien van een absidiool, evenals de klokkentoren die boven de viering uittorent. De sporen van de verbinding met de zuidelijke zijarm en de bijbehorende absidiool zijn nog duidelijk zichtbaar. Binnenin is een voormalige schuine doorgang, die in het noorden geen tegenhanger heeft en die het schip rechtstreeks verbond met deze verdwenen zijarm van het transept.
De architectuur van het kooreinde, die kan worden gedateerd in de eerste decennia van de 12e eeuw, combineert archaïsche elementen met meer vernieuwende kenmerken. De onversierde bekleding in breuksteen die kenmerkend is voor de transeptarm en de absidiool, maakt in de hoofdapsis plaats voor een gemengd metselverband, afgewisseld met steunbeerzuilen, waarbij de maatsteen in de bovenste delen de overhand krijgt. De elegante blinde boogreeks die de gevel bekroont, is overigens gedeeltelijk versierd met een decoratief ruitvormig metselwerk, opus reticulatum, ontleend aan de antieke traditie.
Aan de binnenzijde heeft de apsis een zeer verfijnde compositie met twee rijen boven elkaar geplaatste boogreeksen op halve zuilen. Dit thema, waarvan de Saintogne rond 1100 verschillende varianten heeft voortgebracht, vindt hier zijn meest unieke uitdrukking, die de volledige hoogte van de muur benut en zich vanaf die tijd met name via de kathedraal van Angoulême zou gaan doorzetten.
Het architectonische hoogtepunt van deze kerk is de koepel op de kruising van het transept, die wordt gedragen door drievoudige rolbogen die over de zuilenbundels in de hoeken zijn gespannen. Het gaat hier om een uitzonderlijke koepel op pendentieven, waarvan de koepelkap rust op een cilindrische trommel die is versierd met een booggalerij op zuiltjes. Op de sokkel van de klokkentoren openen zich verschillende kleine ramen, die een beetje licht in deze ruimte laten binnenstromen. Naast deze zeer originele inpassing van volumes draagt het gebruikte opus reticulatum op de pendentieven bij aan het unieke karakter van deze kruising, dat een klein meesterwerk lijkt te zijn.
De architectonische eenheid van dit kooreinde komt zowel tot uiting in het gebruik van bepaalde versieringsmotieven – zoals hier het opus reticulatum – als in de profielen, met name de friezen van de staafvormige kanteelversiering die men overal terugkomt. Maar het is vooral het beeldhouwwerk, dat zich onderscheidt door zijn uitzonderlijke kwaliteit en rijkdom, dat de faam van dit monument definitief vestigt.
Of het nu gaat om de kapitelen van de blinde boogreeks of de modillons van het kooreinde, de kleine kapiteellichamen van de twee registers van de boogreeksen van de apsis of de kapitelen van het kruising die uitmonden in een fries: overal is beeldhouwkunst aanwezig. De invloed van de ateliers van Saint-Eutrope en de Abbaye aux Dames is merkbaar in de met rankversiering overladen decors waarin menselijke, dierlijke en hybride figuren voorkomen, die vaak in symmetrische composities tegenover elkaar staan. Hierin herkennen we een geest die voortkomt uit de boekverluchting en die bepalend is geweest voor de opkomst van deze rijke stijl. Bepaalde figuren, zoals de naakte die rankversieringen lijkt uit te spuwen, zijn bijzonder kenmerkend. Ze verwijzen naar de beeldhouwkunst in kerken in de Saintonge, zoals die van Marignac, Colombiers of Corme-Ecluse.
-






















Bronnen.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Charente"; Geste éditions; La Crèche 2013.
- Jean George in "Les églises de France"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1933.
Bijlagen.