Eglise Saint-Menoux
te Saint-Menoux
Geschiedenis.
Het is het min of meer legendarische levensverhaal van de Ierse heilige Menou, zoals dat uit latere bronnen bekend is, dat ons de oorsprong beschrijft van het klooster van Saint-Menoux, gelegen in het voormalige bisdom Bourges. We moeten teruggaan naar de 7e eeuw, naar de dood van Menou, die bisschop van Quimper was geworden en die zou zijn overleden toen hij terugkeerde van een pelgrimstocht naar Rome, in de plaats die Malliacum heet. Rond het jaar 1000, naar aanleiding van de ontdekking van het heilige stoffelijk overschot door Dagbert, aartsbisschop van Bourges, zou het benedictijnse vrouwenklooster, dat al sinds onbepaalde tijd in Malliacum gevestigd was, zijn gerestaureerd en de naam van de heilige hebben aangenomen. Het laconieke verslag vermeldt alleen de naam van de toenmalige abdis, Adalgasie.
De weinige oorkonden uit de 11e eeuw en vooral uit de 12e eeuw die tot op heden bewaard zijn gebleven, getuigen van de welvaart van het klooster, dat kon rekenen op de welwillendheid van de heren van Bourbon. In 1125 verleende Archambaud VII de benedictijnse nonnen voor het dorp dat rondom het klooster was gegroeid, dezelfde immuniteiten en vrijheden als die welke eerder door de priorij van Souvigny voor haar eigen dorp waren verkregen. De bezittingen van de gemeenschap namen in deze periode aanzienlijk toe dankzij het daadkrachtige optreden van de abdis. In 1145 is de vastberadenheid waarmee abdis Ermengarde tegenover de prior van Notre-Dame de Salles uit Berry het bezit van de kerk van Agonges opeiste, in dit opzicht veelzeggend.
De band tussen het Huis Bourbon en de abdij van Saint-Menoux, die wellicht teruggaat tot de tijd van de stichting, bleef langdurig bestaan, zoals blijkt uit de schenkingen van Agnès, dochter van Archambauld IX, in 1275 en 1281. Vlak naast de zo machtige cluniacenzerpriorij van Souvigny behield het klooster een zekere invloed in de regio. In 1569 woonden er negenentwintig nonnen, die zich hielden aan de regels van de hervorming van Chézal-Benoît, die sinds 1507 van kracht was.
Door de Franse Revolutie werden de nonnen verdreven en werden de gebouwen van de abdij, die in 1790 als nationaal bezit werd verkocht, systematisch verwoest. De voormalige abdijkerk werd weer in gebruik genomen als parochiekerk en kreeg in 1840 de status van historisch monument.
Over de monumentale geschiedenis van het klooster is in de bronnen weinig bekend, afgezien van een grafschrift uit 1500 dat vroeger te vinden was op het inmiddels verdwenen graf van een abdis in het koor van de abdijkerk. Het grafschrift maakte melding van de herbouw van de kloostergang en de gedeeltelijke herbouw van de kerk. Daarnaast moet de herbouw van de ingang van de noordelijke arm van het transept in 1683 worden vermeld, die in de parochieregisters is vastgelegd.
Het vrijwel volledige gebrek aan documenten over de bouwgeschiedenis moet zoveel mogelijk worden gecompenseerd door archeologisch onderzoek, wat bemoeilijkt wordt door het bijzonder heterogene karakter van het gebouw en door de ingrijpende restauraties die het in de 19e eeuw heeft ondergaan.
Beschrijving.
De opmerkelijke kerk van Saint-Menoux, waarin de Bourgondische romaanse kunst zich zuiverder en eleganter manifesteert dan in alle andere kerken van de Bourbonnais, bestaat uit een schip met drie traveeën, geflankeerd door zijbeuken en voorafgegaan door een ruime narthex die bestaat uit drie parallelle beuken; de kerk eindigt in het oosten met een niet-uitstekend transept. Het koor met twee traveeën, voorzien van zijbeuken, gaat vooraf aan een diepe, halfronde apsis die omgeven wordt door een kooromgang; hierop openen vier halfronde absidiolen en een vierkante kapel in de as, net als in Issoire, Saint-Dier en de naburige kerk van Souvigny.
De voorhal van het schip is de narthex van een gebouw uit de 11e eeuw; de rest van de kerk werd in de tweede helft van de 12e eeuw opgetrokken, onder invloed van de kunst uit de regio Autun. In de 13e eeuw werd het transept heringericht en werd de centrale klokkentoren gebouwd; vervolgens werden in de 15e eeuw het middenschip en de zijbeuken van binnen opnieuw ingericht. Het gebouw, dat zich in 1830 in een erbarmelijke staat bevond, werd gered door de klassering als monument van 1840; toen werden er onhandige restauratiewerkzaamheden uitgevoerd aan de klokkentoren en het koor; in 1862 restaureerde architect Millet de voorhal, en ten slotte werden in 1885 onder leiding van Selmersheim omvangrijke werkzaamheden uitgevoerd aan het gehele gebouw.
De trapeziumvormige voorhal is verdeeld in drie beuken van elk drie traveeën door zuilen die in trommels zijn gemetseld en zorgvuldig gebouwde rondbogen dragen, die bovendien langs de oost- en westmuren overeenkomen met zuilen op steunen. De noordelijke zuilen staan opgesteld volgens de noordwest-zuidoostlijn, die sterk afwijkt van de as van het gebouw. De kapitelen zijn versierd met dikke, gebogen bladeren, besnorde hoofden, vlechtwerk of rug aan rug liggende leeuwen, onder dekstukken met gedraaide of in elkaar grijpende motieven. Dikke verticale kanteelversieringen benadrukken de astragalen. De basissen bestaan uit twee voetringen die een smalle hollijst omsluiten en op een sokkel rusten. De uitvoering van de beeldhouwwerken is archaïsch maar zorgvuldig verzorgd; bovendien moeten bepaalde ornamentale details in de 12e eeuw zijn vernieuwd.
Boven de boogreeksen loopt een kroonlijst van staafvormige kanteelversiering, ondersteund door ruwe modillons; op deze kroonlijst rustte het oorspronkelijke dakgebinte. De zijmuren zijn versterkt met drie grote boogreeksen die worden gedragen door zuilen op steunmuurtjes, en onder elk daarvan bevindt zich een smal rondboograam dat sterk inspringend is.
Het schip werd in de 15e eeuw verbouwd en voorzien van kruisribgewelven waarvan de ribben uitmonden in golvende pilasters die worden verbonden door grote, gebroken boogreeksen met groefversieringen. De zuidelijke zijbeuk werd destijds op dezelfde wijze overwelfd, en de terugvallen rusten op afsluitstukken versierd met bladwerk en engelen die wapenschilden vasthouden; de noordelijke zijbeuk heeft zijn oorspronkelijke tongewelf behouden op gordelbogen die in de gotische periode zijn aangepast.
Het kruising van het transept wordt omlijst door kruisvormige pijlers met kolommen aan de zijkanten, die in de 13e eeuw, tijdens de bouw van de klokkentoren, werden geplaatst. De kapitelen, versierd met knoppen, dragen de spitsboogvormige bogen; de basissen, voorzien van een diepe voetlijst en omlijst door klauwen, rusten op sokkels. Boven de triomfboog en de boog die uitkomt op het schip is een opening aangebracht voor de ventilatie van de zolderruimte, terwijl de 2 rondboogvensters met hierboven een veellobbig roostervenster boven elke zijdelingse boog is aangebracht. Het kruisribgewelf dat deze kruising overwelfd, bevindt zich op een zeer hoge hoogte; de ribben zijn geprofileerd met twee voetringen, gescheiden door een hollijst, en rusten op afsluitstukken met maskers en krullen.
Gebroken tongewelven overdekken de kruisbeuken; twee ramen en een veellobbig roostervenster sieren elke afsluitmuur.
Het koor en de omringende kooromgang liggen drie treden hoger.
Het koor bestaat uit twee traveeën met gebroken tongewelven; de gordelboog rust op twee vierkante pijlers, die aan drie zijden worden geflankeerd door halfzuilen en aan de kant van de kooromgang door een gecanneleerde pilaster. De westelijke travee van dit koor is aan de zijkant voorzien van een grote gebroken boog, versierd met een voetring en bekroond door een holle lijst die op maskers rust; de andere staat in verbinding met de kooromgang via twee rondbogen die worden gedragen door een centrale zuil. Vierkante massieven, geflankeerd door gecanneleerde pilasters, scheiden het koor van de rechte travee van de apsis, waarnaar aan weerszijden van het rechtergedeelte een rondboog uitkomt en, rondom het rondpunt, vijf smallere bogen die rusten op hoge toppen en uitmonden in gekoppelde zuilen met trommels.
Alle kapitelen in Bourgondische stijl vertonen uiterst elegante en gevarieerde sculpturen; het zijn kunstzinnige vlechtwerken, mandwerk, bloemen en vruchten, bladeren waarin vogels nestelen, met parels versierde palmetten, en soms hoekfiguren, griffioenen die uit dezelfde kelk drinken; motieven die we ook terugvinden op de kapitelen van de kerken van Souvigny, Le Montet, Yzeure, Buxières-les-Mines, enz., maar die in Saint-Menoux een superieure afwerking hebben en in een geordende overvloed voorkomen, waardoor opmerkelijke decoratieve effecten worden gecreëerd. De dekstukken zijn voorzien van holle versieringen en rondingen; sommige zijn versierd met voetringen, geometrische ornamenten en bloemetjesmotieven. De sokkels zijn torusvormig en soms, halverwege de hoogte van de sokkel, versierd met een rij parels, zoals in Buxières-les-Mines en in Le Montet. Boven de boogreeks vormt een fries, bestaande uit een band met Griekse motieven onder een rand van een eierlijst, de basis voor een verdieping met ramen die worden gescheiden door gekoppelde colonnetten die de kordonlijsten ondersteunen waarmee de bogen zijn versierd. Ten slotte markeert een band met dambordmotieven het begin van de gewelven.
De kooromloop wordt overspannen door graatgewelven, onderbroken door gebroken gordelbogen die enerzijds tussen de pijlers van het koor of de zuilen van de rotonde en anderzijds tussen de pilasters tegen de buitenmuren zijn gespannen. In het rechte gedeelte komen twee traveeën van de kooromgang overeen met de oostelijke travee van het koor. Op deze kooromgang openen de vier straalkapellen in een halve cirkel, waarvan de twee westelijke zijn geplaatst volgens een as die loodrecht staat op die van de kerk. Elk van deze kapellen bezitten drie ramen waarvan de steunmuren zijn voorzien van colonnetten. Vergelijkbaar, maar bovendien bekroond met een fries van palmetten, zijn de twee ramen die de kooromgang verlichten in de ruimte tussen de absidiolen. Wat betreft de kapel met vierkante plattegrond: deze wordt overdekt door een tongewelf en de achterwand is in de gotische periode voorzien van een breed gotisch raam met opvulling.
De gevel is afkomstig van de 11e-eeuwse kerk, maar door de verbouwingen die eraan zijn uitgevoerd, zijn er slechts fragmenten van het oorspronkelijke metselwerk overgebleven. Daarachter rijst de gevel van het schip op, met daarin een oculus. De noordzijde van het gebouw wordt verzwaard door steunberen uit de 16e eeuw. In het zuiden zijn nog de overblijfselen te zien van een kloostergang uit het einde van de gotische periode. De apsis sluit naadloos aan bij de meesterlijke indeling van het kooreinde. De straalkapellen worden ondersteund door steunberen in de vorm van steunbeer-zuilen met bladkapitelen, terwijl gecanneleerde pilasters die tot aan het dak reiken, tegen het bovenste deel van de apsis tussen de ramen oprijzen. De kroonlijsten worden gedragen door modillons met spaanders. Alle ramen worden bekroond door een rij van staafvormige kanteelversiering die een ring vormt rond de steunberen in de vorm van steunbeer-zuilen en doorloopt tot aan het vlakke kooreinde van de middelste kapel.
De vierkante klokkentoren uit de 13e eeuw, die boven de kruising uittorent, staat op een sokkel met aan de zijkanten twee rondboogvensters onder een meerlobbige oculus; het bouwwerk, dat op de hoeken is voorzien van twee colonnetten, is op de eerste verdieping versierd en op de tweede verdieping opengewerkt, met op elke zijde twee vensters met licht gebroken bogen, die worden doorsneden en omlijst door zuiltjes. De timpanen van de benedenverdieping zijn voorzien van geperforeerde platen met klaverbladmotieven die in roosters zijn gegroepeerd en als geluiddempers fungeren; op deze verdieping worden de raamopeningen gescheiden door een pilaster waarop het decor in bladversiering van de kapitelen zich als een band voortzet; op de bovenste verdieping staat tussen de raamopeningen een bundel zuiltjes, die wordt doorsneden door paarsgewijze zuiltjes. De stenen torenspits, die aan het begin van de 20e eeuw instortte, is vervangen door een houten constructie.
De noordwestelijke hoek van deze klokkentoren wordt geflankeerd door het traptorentje, dat is voorzien van een blinde boogreeks en uitmondt in een achthoekige verdieping die als steun dient voor een kleine stenen spits met ribben op de hoeken.
De narthex is omgebouwd tot een museum voor steenbeeldhouwkunst, met als hoogtepunt een sterk beschadigd bas-reliëf waarop, onder een mijterboog, een zegenende Christus te zien is, zittend te midden van een amandelvormige glorie; daaromheen staan de symbolen van de evangelisten; daarboven het paaslam in een aureool. Dit beeldhouwwerk uit de 12e eeuw, waarin men een fragment van een oud graf van de heilige Menoux heeft willen zien, kan inderdaad een van de korte zijden van een sarcofaag hebben gevormd. Ernaast bevindt zich een bas-reliëf uit dezelfde periode, waarop de apostelen zijn afgebeeld, en twee fragmenten van de 13e-eeuwse vloertegels, met inlegwerk van lood en cement in de vorm van rozetten, die vroeger de kooromgang bedekten.
Achter het hoofdaltaar bevindt zich het zogenaamde graf van de heilige Menoux: een stenen sarcofaag die aan de basis smaller is dan aan de bovenkant en bedekt is met een zadeldak. In een van de zijwanden zit een halfronde opening die wordt gebruikt voor vroomheidsoefeningen. Deze sarcofaag rust op vier gebogen zuilen uit de 13e eeuw, voorzien van dikke torussen aan de voet en aan de top.
Bronnen.
- Bruno Phalip in "Auvergne roman"; Edtions Faton; Dijon 2013.
- Marcel Génermont en Pierre Pradel in "Les églises de France, Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1938.
- Jean Dupont in "Nivernais-Bourbonnais roman; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 45'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1976.
Bijlagen.






























































































































































Geen opmerkingen:
Een reactie posten