Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label symbolen Evangelisten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label symbolen Evangelisten. Alle posts tonen

vrijdag 28 januari 2022

Eglise Sainte-Colombe te Sainte-Colombe; Val-de-Bonnieure (Charente 16)

 Eglise Sainte-Colombe 

te Sainte-Colombe;

Val-de-Bonnieure


Geschiedenis.
Geen enkele middeleeuwse vermelding kan inlichtingen verschaffen aangaande de oorsprong van deze kerk met een zeldzame patroonheilige in de Angoumois en raar in Frankrijk.  De verering van deze heilige martelares uit de 3de eeuw, werd in het bijzonder vereerd in de regio van Lyon tussen de 7de en 9de eeuw.  De eerste vermelding van deze parochie gaat terug tot de 16de eeuw.
De kerk werd in 1879-1880 en 1895 hersteld.  Dit gebouw werd als historisch monument geklasseerd op 13 november 1973 en werd onder leiding van de hoofdarchitect, Philippe Odin, gerestaureerd.

Beschrijving.
Opgericht in klein en middelmatig metselverband stelt deze kerk zich samen met een schip van 4 traveeën, met een koortravee voor het kooreinde en met een halfronde apsis.

(plan Les églises romanes d'Angoumois)

Aan de binnenzijde wordt het schip afwisselend geritmeerd met half ingebrachte zuilen met basissen en versierde kapitelen.  Het profiel van de basissen van de zuilen verwijst naar een overgang tussen de 11de en 12de eeuw.  Op één enkele basis is de onderste voetring versierd met lofwerk.




Het schip is hedendaags overwelfd met een houten geraamte.  Op de binnenzijde van de gevel bemerkt men nog steeds het spoor van het oude gewelf, bovenaan het venster.  De sporen van afbraak van de vroegere lichtgebroken gordelbogen, en de eerste aanzetten van het tongewelf ziet men nog bovenaan de muren.  Het schip beschikte reeds over een eerste houten geraamte waarvan men nog de bulstergaten op het restant van het gewelf ziet.



De voorgaande travee van het kooreinde is begrensd met 2 zware zuilen op een voetmuur die een licht gebroken boog met dubbele gording ondersteunen.  De muren bovenaan zijn verhoogd zoals in het schip om het houten geraamte te ontvangen.  Een hoge, naakte muur scheidt deze travee van de apsis met de vernauwde ingang.  Het halfrond is merkwaardig verlicht door een centraal rond raam en 2 kleinere rondbogen in een ongewoon dikke muur voor dit gedeelte van het gebouw.  De apsis wordt overwelfd met een halfkoepel.



Aan de buitenzijde is de gevel verdeeld in 2 horizontale registers door een gootklos ondersteund door versierde modillons.  Een ingang met een drievoudige gordel is geflankeerd door colonnetten terwijl bovenaan een eenvoudig, hoog venster met een eenvoudige gordelboog is doorbroken.  Een klokkentorenmuur met een dubbele boog staat bovenaan op de puntgevel en vertoont een uitstekend profiel alhoewel hij aanvankelijk drievoudig was maar verstoken bleef van een klok.  De bas-reliëfs op platen versieren de stijlen van het hoge venster terwijl valse timpanen het bovenste register versieren. 








 
Aan de noordelijke zijde is de gootmuur van het schip opgericht volgens de traveeën.  Een verbinding bemerkt men aan de rand van de boord van de steunbeer die de 2de van de 3de travee scheidt.  De vensters van de 1ste travee staan niet op dezelfde hoogte dan deze van de 2 laatste.  Aan de zuidzijde is de gootmuur homogener maar bemerkt men eveneens een verbinding tussen de 2de en de 3de travee, in overeenkomst met de noordzijde.  De muren van de travee voor het kooreinde zijn verschillend met deze van het schip en met een gewijzigd aspect door de eenvoudige bekroning van een gootklos met naakte modillons.  De vensters zijn modern. 



 
Eveneens aan de zuidzijde bevinden zich 2 dichtgestopte ingangen alsook het spoor van een oude overdekking met platte stenen.  De apsis vertoont een analoog aspect.  Deze wordt gestut door de steunzuilen beëindig met een talud.  De vensters zijn eveneens modern en de oculus is aangebracht na de bouw.  Een dak van platte stenen is op de apsis gereconstrueerd. 









De gebeeldhouwde elementen zijn van 2 soorten met kapitelen aan de binnenzijde van het gebouw en de reliëfs op laten aan de buitenzijde van de gevel.  Twee vormen van kapiteellichamen onderscheiden zich aan de binnenzijde.  De hoogste zijn in de travee voorafgaand aan het kooreinde terwijl de gemiddelde kapiteellichamen de zuilen in het schip bekronen.  In het schip verschijnt de menselijke figuur onder de vorm van mannen met baarden in mandorla's, met samengevouwen handen op de buik, een heilige omringd met een aureool van parels, in een biddende houding, eveneens in een mandorla.


 
Op een ander kapiteellichaam, een man in het gebladerte die blijft hangen aan de rankversiering die hem omgeeft. 



 
Dierenmotieven zijn er eveneens met kleine monsterachtige leeuwinnen, vogels met een haviksnavel, hondachtigen naast of tov elkaar, met één enkel hoofd voor 2 lichamen of 2 hoofden voor 1 lichaam.  Men bemerkt eveneens vegetarisch motieven met droge of vette bladeren, kinnebakken, ronde neuzen met brede neusvleugels, de pupillen doordringend. 








Bij de 2 grote kapiteellichamen van de koortravee, stelt de ene biddende engelen voor in een mandorla, de andere met een gebladerd motief.  De stijl is hier hetzelfde dan voor de kapiteellichamen van het schip.





Op de reliëfs op de platen van de gevel gaat het om het Lam boven de elementen van de tetramorf en  2 biddende personages op de lijsten van het hoge venster met een inscriptie dat het gaat om de heilige Colombus en de heilige Petrus.








Men bemerkt eveneens 2 valse timpanen met op de ene, twee tov elkaar gestelde leeuwen rond een mensenhoofd (de profeet Daniël ?), en op het andere een engel met ontplooide vleugels die een gesloten boek schijnt vast te houden.  





Bron.
- Sylvie Ternet in "Les églises romanes d'Angoumois", Tome II; Editions, Le Croît Vif; Paris 2006.
- Jean George in "Les églises de France, Charente"; Editions Letouzey et Ané; Paris 1933.



Bijlagen.

donderdag 27 augustus 2020

Ancienne église Saint-Etienne te Olerat; La Rochefoucauld (Charente 16)

 Ancienne église Saint-Etienne 

te Olerat; La Rochefoucauld


Beschrijving.
De kerk die toebehoorde aan de abdij van Grosbot, werd aan het kapittel van Saint-Florent van La Rochefoucauld in 1274 overgedragen in ruil voor Notre-Dame van Cherves-Châtelars.
Verkocht als nationaal goed tijdens de Revolutie werd zij achtereenvolgens door verschillende eigenaars doorverkocht, vooraleer zij in 1977 teruggekocht werd door het stadsbestuur van La Rochefoucauld.
De kerk is samengesteld met een schip van 4 traveeën waarvan de laatste dienst deed als koor, en met een kruising met één enkele transeptarm in het noorden.  De rest is verdwenen zoals de oude kruising en het oorspronkelijke koor.  De afgebroken apsis zou binnenin versierd zijn geweest met een galerij van zuilen en versierde boogreeksen.
Aan de binnenzijde van het schip ondersteunen de zuilen met boogreeksen een gewelf dat nu verdwenen is en waarvan de eerste aanzetten nog bestaan.  De kapitelen van de zuilen zijn gerecupereerd en verkocht met uitzondering van één enkele die opnieuw gezet is op de cilinder van de eerste zuil aan de noordzijde. Het enige bewaarde kapiteel stelt 2 tov elkaar gestelde griffoenen voor, in een sterk reliëf met insnijdingen ter hoogte van de poten. Dit element is te dateren van de eerste helft van de 12de eeuw.
Aan de buitenzijde is de noordelijke zijde versierd door tegen de muur geplaatste boogreeksen.  De zuidelijke zijde bezit geen boogreeksen. 



De westelijke gevel  is samengesteld uit 2 verdiepingen.  Het gelijkvloers met een portaal in gebroken boog en achteraf vergroot.  Op de eerste verdieping bezetten bas-reliëfs van een grote kwaliteit een van lijstwerk voorzien ruit en geflankeerd met 2 bijkomende timpanen waarboven zich nog 2 andere reliëfs bevinden op een vierkant vlak.  Een hoog venster is in het midden doorbroken teneinde het schip te verlichten.  Dit venster loopt bijna tot de top van de driehoekige puntgevel.




De fijne reliëfs van de gevel stellen in het midden het Lam in Majesteit voor op een plaat in de vorm van een ruit en omringt met de symbolen van de evangelisten met links de stier en rechts de leeuw, links bovenaan een engel en rechts bovenaan een arend. De dieren op de pseudo-timpanen zijn getrokken in een sterker reliëf dan deze bovenaan, met een kordonlijst van parels om de ruggengraat van de stier, de aanvang van de  vleugels, de kruisvormige stralenkrans en het kruis van het Lam te benadrukken.  De figuren op de platen zijn getrokken in bas-reliëfs en deze van de engel heeft als voordeel, een gewilde vervorming van het gezicht om deze beter van beneden te bemerken. De behandeling van de voorzijden is eveneens rijkelijker en meer gedetailleerd om het zwakke model te compenseren, met oa het borduursel van de mouwen, de edelstenen van het boek van Mattheus, de stralenkrans en bovenaan van met parels afgezette vleugels om iedere pluim van de vleugel aan te duiden. Men bemerkt er tevens op de rand van de voornaamste ruiten inscripties : MATEUS, JOHANNES en rond het Lam : BIS QUI MUN... DA PACEM NO... US EXTANS SPIRITUALI, in spiegelschrift, ... CRIMINA TOLLIS.  Deze delen zijn in wanorde geplaatst maar in goede orde leest men; DA PACEM NOBIS QUI MUNDI CRIMINA TOLLIS.









De reliëfs van de gevel schijnen van later te zijn dan deze van de kathedraal van Angoulême en schijnen te dateren van het tweede kwart of het midden van de 12de eeuw.  
In het noorden bevindt zich nog de enige transeptarm die bestaat uit een laag transept waarvan het hellend vlak van het dak nog bewaard is.  Een dichtgestopt gotisch venster was doorbroken in de voorafgaande travee van het koor alsook een boog met brede sluitstenen dat achteraf is uitgewerkt om deze travee te betreden.  Er bestaat geen enkel spoor meer van het koor aan de rechter muur die nu deze travee afsluit.



Deze kerk schijnt zijn schip te hebben bewaard van het eerste kwart van de 12de eeuw terwijl het noordelijke parament van zijn eerste travee, het geheel van het zuidelijke parament en de westelijke gevel rond het midden van de 12de eeuw of begin van de tweede helft schijnen herdaan te zijn.  

Bron.
- Sylvie Ternet in "Les églises romanes d'Angoumois", tome II; Editions Le Croît vif; Paris 2006.

Bijlagen.