Eglise Saint-Pierre
te Châteauneuf-sur-Charente
Geschiedenis.
De kerk Saint-Pierre-ès-Lien in Châteauneuf-sur-Charente staat vooral bekend om haar gevel, maar bij nader inzien blijken ook de algemene indeling en de architectuur zeker de moeite waard. Deze kerk is een voormalige benedictijnse priorij van de abdij Saint-Etienne in Bassac. De stichtingsakte is verloren gegaan, maar de kerk wordt wel genoemd door een auteur uit de 16e eeuw. Ook in een charter gewijd aan Foulques Taillefer, graaf van Angoulême, wordt ze vermeld.
We kunnen niet veel uit deze getuigenis afleiden, behalve dat deze kerk na 1081 werd gesticht. Hoe dan ook, het gebouw dat we vandaag zien dateert uit het tweede kwart van de 12e eeuw. Het werd geflankeerd door diverse bijgebouwen, waarvan alleen nog een ossuarium overblijft, geleen ten zuidwesten van de voorgevel, in de grond van het huidige kerkhof.
De kerk is niet homogeen, omdat in de tweede helft van de 15e eeuw de klokkentoren, het koor en de noordelijke arm van het transept werden herbouwd. Tijdens de jaren dat de eredienst na de Revolutie was onderbroken, deed de kerk dienst als gevangenis. De enige opmerkelijke verandering in die tijd was dat het dakgebinte werd verwijderd en de dakpannen rechtstreeks op de buitenkant van de gewelven werden gelegd. De kerk bleef in deze staat totdat ze in de tweede helft van de 19e eeuw werd gerestaureerd.
Beschrijving.
Dit gebouw heeft uit de romaanse periode zijn grote voorgevel, de drie beuken van het schip met elk zes traveeën en de zuidelijke arm van het transept met zijn twee naar het oosten gerichte kapellen behouden. De meest zuidelijke kapel heeft een halfronde vorm en de kapel die het dichtst bij de as van het gebouw ligt, eindigt in een rechte muur. Het Romaanse kooreinde telde dus aan weerszijden van het koor en de apsis vier trapsgewijs geplaatste kapellen. In dit opzicht vertoont de plattegrond van het romaanse gedeelte van onze kerk grote overeenkomsten met die van de kerk Saint-Denis in Lichères.
Net als in een aantal kerken ligt aan de westzijde de vloer van het gebouw in Châteauneuf lager dan het buitenniveau; vanaf de westgevel leidt een trap naar beneden naar het hoofdbeuk. Deze heeft een licht gebroken tongewelf op gordelbogen en wordt geflankeerd door twee vrij smalle, hoge zijbeuken met een rondbooggewelf op gordelbogen. De pijlers zijn vierkant van vorm en worden geflankeerd door vier halfzuilen. Het schip wordt niet rechtstreeks verlicht; de ramen openen zich in de zijmuren en zijn aan de buitenzijde versierd met een archivolt met diverse motieven, zoals diamantpunten, geplooide linten, ruiten, ... Deze muren zijn zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde versterkt met bogen. De steunen hiervan zijn halfzuilen die aan de binnenkant op steunen rusten en aan de buitenkant op dunne pilasters. In de tweede en derde travee van de noordmuur van het schip bevinden zich twee dichtgemetselde uitgangen die vroeger naar het kerkhof leidden: een kleine deur met daarboven een spitsboog en een bescheiden romaans portaal zonder timpaan, met dubbele insprong en zuiltjes met kleine kapitelen. De zuidelijke arm van het transept bestaat uit twee traveeën. De eerste, die het dichtst bij het koor ligt, en de aangrenzende rechthoekige apsis werden in de 15e eeuw opnieuw overwelfd toen de naburige pijler van het kruisgewelf werd herbouwd. De tweede travee van het transept daarentegen, overdekt met een tongewelf, heeft zijn romaanse indeling behouden. In de zuidelijke muur bevindt zich een romaanse halfronde kapel met een gewelf in halfkoepel dat gedeeltelijk rust op een smal steunmuurtje, gedragen door acht hoge zuiltjes met kleine kapitelen.
Zo ontdekte men tussen de 19e-eeuwse modillions een karikatuur van Paul Abadie. Hij wordt afgebeeld als een acrobaat met een breed gezicht, een grote mond, wangen, bakkebaarden en uitpuilende ogen, die kenmerkend waren voor de architect ten tijde van de restauraties.
![]() |
| De modillon in het midden zou Abadie voorstellen |
Binnen in het gebouw heeft het beeldhouwwerk een bijzonder grondige restauratie ondergaan. Vrijwel alle 68 romaanse kapitelen in het middenschip, de zijbeuken en de zuidelijke absidiool zijn ofwel vervangen door kopieën, ofwel aangetast door overmatig afschrapen, ofwel zeer ingrijpend opnieuw uitgehold, waardoor ze hun authenticiteit volledig hebben verloren. Enkel 8 kapitelen zijn ontsnapt aan deze ingrijpende restauratie. Twee daarvan zijn bewaard gebleven aan het oostelijke uiteinde van de noordelijke zijbeuk. Drie andere bevinden zich in de zuidelijke zijbeuk. De zuidelijke absidiool heeft nog drie intacte oude kapitelen, waarvan er twee aan weerszijden van de ingang staan. Naast deze drie ontwerpen heeft deze absidiool de bijzonderheid dat er twee oude kapitelen zijn gerestaureerd. Bij deze restauratie is van elk werk een oude helft behouden, terwijl het tweede, moderne deel identiek is nagemaakt.
De iconografie van de oude en ongeschonden kapitelen in het interieur van het gebouw sluit aan bij die van de westerse romaanse kunst. In bijna alle gevallen gaat het om afbeeldingen van het Kwaad in diverse gedaanten. Zo vinden we in de zuidelijke zijbeuk een demonisch hoofd, omringd door een gevecht tussen vogels en leeuwen, twee tegenover elkaar staande griffioenen en vervolgens een plantendecor. In de noordelijke zijbeuk zijn op de twee overgebleven authentieke kapitelen enerzijds twee monsters met een menselijke bovenlichaam en een vogelromp afgebeeld, omlijst door draken die elkaar bij de haren grijpen, en anderzijds twee figuren, een man en een vrouw, verstrengeld in plantenranken en tegelijkertijd aangevallen door leeuwen en draken.
In de zuidelijke apsis vinden we rechts, bij de ingang van de kleine apsis, het enige kapiteel met een bijbels thema in het gebouw. Het stelt het offer van Abraham voor, dat een voorafschaduwing is van dat van Christus. Hij kijkt naar het noorden, tegenover een groep hoornblazers. Een derde oud en niet-gerestaureerd kapiteel, grenzend aan het offer van Abraham, herhaalt dit thema een tweede keer met een dubbele hoornblazer in combinatie met een menselijk hoofd dat wordt aangevallen door een vogel. De twee gerestaureerde werken tonen enerzijds tegen elkaar aanleunende monsters en anderzijds een plantaardig decor. Al deze sculpturen onderscheiden zich door een grote finesse in de uitvoering. Ze zijn gemaakt op basis van een relatief beperkt aantal plooien: gestreken plooien en plooien in de vorm van rolletjes. De personages hebben echter hoofden die te groot zijn in verhouding tot hun lichaam en staan vaak in onwaarschijnlijke houdingen.
De gevel van de kerk van Châteauneuf is geïnspireerd op de kathedraal Saint-Pierre in Angoulême. Ze doet inderdaad denken aan het middengedeelte van de gevel van de kathedraal, met het grote, enkele centrale raam en de hoog opgaande boog in de as, die beide ook in Châteauneuf te vinden zijn. In Châteauneuf is de gevel verticaal verdeeld in drie delen die overeenkomen met de indeling van het schip. In het middengedeelte bevindt zich een grote boog die vanaf de grond tot aan de top reikt. Deze grote boog past in de driehoekige geveltop die het middengedeelte afsluit. In het midden van het onderste deel van de gevel bevindt zich het portaal met drie gebeeldhouwde booglijsten, zonder timpaan. Het wordt aan de zijkanten omlijst door twee blinde licht gebroken bogen. Aan weerszijden van dit portaal loopt ter hoogte van de kapitelen een gebeeldhouwde fries met leeuwen en vogels, verweven in rankversiering. De benedenverdieping wordt van de tussenverdieping gescheiden door een kroonlijst bestaande uit vierentwintig modillons die mannen, dieren en monsters voorstellen, onderbroken door vijfentwintig metopen versierd met rozetten die een band van kanteelversiering in een dambordpatroon ondersteunen. Op de middelste verdieping omlijsten twee grote nissen, ondersteund door halfzuilen, het centrale gedeelte waarin een brede vensteropening met sierzuiltjes is aangebracht. Hoger boven deze vensteropening verlicht een smal raam de zolderverdieping. Het bovenste deel van dit raam steekt door een kroonlijst die is aangebracht ter hoogte van de aanzet van de grote boog die het centrale gedeelte van de gevel domineert.
Paul Abadie heeft de gevel minder gerestaureerd dan het interieur van het gebouw. Bij het portaal verving hij de twee buitenste kapitelen van de uitsprong en de bovenste booglijst, die een rij palmetten voorstelt. Bij de middelste boog werd slechts één sluitsteen vervangen. Daarentegen is de helft van de stenen van de fries die het centrale deel van deze gevel siert modern en werd een groot deel van de oude motieven met de beitel opgefrist. Ook de beeldhouwwerken van de blinde zijbogen zijn bijna volledig modern. Ter hoogte van de kroonlijst die de benedenverdieping van de tussenverdieping scheidt, zijn de metopen volledig modern. Hetzelfde geldt voor de modillons, met uitzondering van drie ervan.
Het middelste deel van de gevel is zonder overdrijving gerestaureerd. De beeldengroep in de grote noordelijke nis is gelukkig intact gebleven. Een ruiter op ware grootte staat tegenover een staande, rijk geklede vrouw. Met een wijde mantel die in de wind wappert, sporen aan zijn voeten en een hand op zijn heup, torent hij uit boven de overblijfselen van een figuur die op de grond ligt, onder de hoef van zijn paard. Van deze figuur zijn alleen nog het onderlichaam en de voeten overgebleven. De ruiter en de vrouwelijke figuur dragen wereldlijke kleding uit de 12e eeuw. De drie volgende beelden, die plechtig op hoge stenen sokkels staan, zijn gekleed in antieke kleding, hebben een aureool en zijn blootsvoets. De laatste, aan de zuidkant van de gevel, heeft geen aureool en draagt kerkelijke kleding. Het beeld ten noorden van het centrale raam stelt Sint-Petrus voor. Het hoofd, de handen en een deel van de voeten zijn vernieuwd. De stenen blokken waarop de handen en de sleutels rusten, zijn modern. We hebben gemerkt dat dit beeld door Paul Abadie is aangepast. Dit beeld was namelijk door de architect getekend vóór de restauraties. Op deze tekening is een figuur te zien die een boek vasthoudt. De architect heeft dus een anonieme heilige omgevormd tot Sint-Petrus, de patroonheilige van het gebouw. Het volgende beeld houdt een tekstband vast. Net als het vorige heeft het een vervangend hoofd en vervangende handen. Het attribuut is gedeeltelijk modern, maar een fragment van het oude tekstband dat nog aan de borst vastzit, bevestigt de nauwkeurigheid van de restauratie. Ook bij het vijfde beeld zijn het hoofd en de handen vervangen. Bij het zesde en laatste beeld aan de zuidkant van de gevel zijn het hoofd, de rechterhand en de voeten vervangen, maar het heeft zijn oorspronkelijke attribuut behouden: een boek dat met de linkerhand stevig tegen de borst wordt geklemd.
Hoewel de beelden op deze gevel en de kapitelen waartussen ze staan over het algemeen vrij goed bewaard zijn gebleven, zijn de twee kapitelen van het middelste raam en vrijwel alle gebeeldhouwde lijsten en omlijstingen modern. De grote kapitelen in het bovenste deel van de gevel zijn allemaal modern en de helft van de tien modillions is vervangen. Op de onderste booglijst van het portaal is het Lam afgebeeld dat het boek vasthoudt, omringd door de symbolen van de evangelisten, en dat de zeven zegels verbreekt. De middelste booglijst toont mannen die worstelen met leeuwen te midden van plantenrankversiering en verbeeldt ook hier de mens die wordt aangevallen door het Kwaad. Dit thema herhaalt zich op de fries van het centrale deel van de gevel met mannen, leeuwen en vogels in de rankversiering. Alle authentieke beeldhouwwerken in het onderste deel van de gevel vertonen dezelfde fijne plooien in de vorm van vaak fijn gearceerde rollen. De afgebeelde personages en dieren zijn systematisch gehuld in het bladwerk dat alle scènes overspoelt. Net als in de zuidelijke absidiool zijn de onderwerpen stereotiep en vertonen ze dezelfde gebreken in verhoudingen en houdingen. De overeenkomsten tussen de beeldhouwkunst van het portaal en die van de binnenzijde van het gebouw doen vermoeden dat ze het werk zijn van hetzelfde atelier.
In het middengedeelte neemt de gevel het in West-Frankrijk veel voorkomende thema over van de grote ruiter die een klein figuurtje onder de hoef van zijn paard vertrapt en zich zo triomfantelijk voor een rijk geklede vrouw presenteert. Deze drie hoofdpersonen worden geflankeerd door vier figuren waarvan we de identiteit en rol niet kennen. Deze laatste zouden in deze specifieke context apostelen, profeten of heiligen kunnen zijn. We weten vandaag dat er vroeger veel ruiters waren, ook al zijn er veel verdwenen en zijn sommige slechts in fragmentarische staat bewaard gebleven.
Die van Châteauneuf is een van de best bewaarde. Zoals bekend stond dit iconografische thema centraal in een breed debat. De tegenwoordig meest gangbare opvatting is dat het een afbeelding is van keizer Constantijn; een voorafschaduwing van de overwinning op het heidendom, en de vrouwelijke figuur voor hem is de Kerk. Qua stijl is de beeldhouwkunst van de ruiter, de vrouwelijke figuur en de drie daaropvolgende beelden homogeen en duidelijk van hetzelfde team van beeldhouwers. Ze zijn krachtig vormgegeven door kunstenaars die grote volumes konden beeldhouwen met behoud van de exacte lichaamsverhoudingen. Het laatste beeld aan de zuidkant van de gevel is van een andere maker. De uitvoering is anders, de houding is onhandiger. De maker heeft haar niet de waardigheid en het volume van de voorgaande werken kunnen geven. Ze lijkt met name beklemd, alsof ze in haar mantel is ingeklemd, en straalt niet de kracht uit die haar tegenhangers kenmerkt. De gebruikte techniek doet vermoeden dat ze is gemaakt door een van de beeldhouwers van het portaal; we zien hier hetzelfde gebruik van plooien en identieke gebreken in de uitvoering.
Bronnen.
- Jean-Bernard Ratto in "Congrès archéologique de France; Charente 153e session 1995"; Imprimerie Daupeley-Gouverneur; Nogent-le-Rotrou 1999.
- Christian Gensbeitel in "Promenades romanes en Charente"; Geste éditions; La Crèche 2010.
- Jean Georgen in "Les églises de France; Charente"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1933.
- Ch. Duras in "Angoumois roman"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 14; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1961.
Bijlagen.



































































Geen opmerkingen:
Een reactie posten