Zoeken in deze blog

dinsdag 5 mei 2026

Eglise Saint-Blaise te La Celle-Bruère (Cher 18)

 Eglise Saint-Blaise 

te La Celle-Bruère






Geschiedenis.
De parochie van La Celle bedekt een uitgebreid grondgebied waarvan het oude historische centrum het kleine dorp van Bruère was, tijdens de oudheid ingeplant aan de doorgang van de Cher.  Het dorp La Celle is pas een gemeente geworden in de 19de eeuw.
Het schijnt zich gevormd op enige afstand van de versterkte gemeentelijke kern in de nabijheid van een kluisenarij waarvan de oorsprong ongekend is en later een parochie en een priorij werd die afhing van deze van Déols.  De oudste vermelding gaat terug tot 1155.
De aanwezigheid en hergebruik in de muren van de kerk toegewijd aan de heilige Blaise, van antieke en preromaanse fragmenten bevestigt de ouderdom van gebruik van deze plaats.
Het voornaamste van de constructie schijnt opgericht in de loop van de 11de eeuw, waarschijnlijk in 2 campagnes.  De luchtbogen die de steunberen versterken, zijn een werk uit de 15de en 17de eeuw.  Het gewelf van het schip stamt uit 1898.  Saint-Blaise van La Celle is sedert 1840 geklasseerd als "Monument Historique".

Beschrijving.
Uit een bestudering van de plattegrond blijkt dat het hier gaat om een belangrijk heiligdom dat volgens de benedictijnse modelopzet is ontworpen, maar dat zich toch weer onderscheidt van zowel Châteaumeillant als La Berthenoux en Saint-Outrille-en-Graçay. Bovendien komen er een aantal afwijkingen in de plattegrond van het schip aan het licht, die kunnen helpen bij het formuleren van hypothesen over de bouwgeschiedenis en de oorspronkelijke staat van het gebouw.  Allereerst valt op dat de drie onderste traveeën een langwerpige plattegrond hebben, terwijl de twee traveeën die het dichtst bij de kruising liggen nagenoeg vierkant zijn; aangezien de breedte van het schip constant blijft, zijn hun grote bogen daardoor breder.  Hier is sprake van een wijziging in het ontwerp die door onderzoek van de binnenste aanzichten moet worden verklaard.  Bovendien valt op dat de buitenste steunberen niet in het verlengde liggen van de pijlers van het schip, noch van de gordelbogen van de gewelven van de zijbeuken. Ze staan aanzienlijk dichter bij elkaar.  De muren lijken dus niet ontworpen te zijn om de druk van een gemetselde overkapping op te vangen, maar alleen om de belasting van een houten plafond of gewelf te dragen.  Hun zwakte verklaart waarom ze vervolgens moesten worden ondersteund door luchtbogen die, door het overhellen tegen te gaan, het instorten van dit deel van de kerk voorkwamen.


In het ganse schip zijn de grote rondboogreeksen met een eenvoudige uitsprong.  Zij vallen terug op de schuin afgewerkte imposten of met dubbele hollijst, van de kruisvormige pijlers van het rechthoekige plan.  Deze zijn verwijderd van elkaar met 5m69 in de 2 bovenste traveeën en slechts 4 meter in de drie eerste traveeën.  In dit gedeelte van de kerk zijn de pijlers zichtbaar minder dik, hun imposten staan hoger en de gordelbogen van de zijbeuken steunen de kromming van de rondboog die zij ondersteunen. Het schip is eveneens overwelfd met een tongewelf dat dateert uit de 19de eeuw, waarbij de gordelbogen terugvallen op een aangezette zuil van de pijlers van het schip en de kapitelen geregeld ruw os soms versierd zijn met gebladerte, maskers of tov elkaar opgestelde dieren.  In de zijbeuken van de voorste traveeën zijn de 3 gordelbogen extra uitgerust met een muur die het gewelf ondersteunt.  De verschillende hernemingen tussen de voorste en de laatste traveeën van het schip en zijn zijbeuken wijzen erop dat de constructie van dit gedeelte van de kerk zich in 2 campagnes heeft voltrokken die heel nauw bij elkaar liggen in tijd.



















Het schip ontvangt zijn verlichting enkel via een oculus geopend in de nok van de eerste 2 traveeën van het gewelf.  Het licht valt binnen aan de achterzijde van de grote boogreeksen via de rondboogvensters in de gootmuren van de zijbeuken doorbroken.



De kruising is begrensd door 4 kruisvormige pijlers waarvan 3 aangezette zuilen zich toevoegen en langs 4 grote rondbogen met dubbele gording die een koepel op trompen omkaderen gesteund op schuin lijstwerk.  De eerste travee van de kruisbeuken, die in het verlengde van de zijbeuken ligt, wordt overspannen door een kort tongewelf dat reikt tot aan de voet van de koepel; dit ondersteuningssysteem is in de Berry bekend in Ineul en Puyferrand en vergelijkbaar met dat van de kerken in de Auvergne, waar deze functie wordt vervuld door een half tongewelf. De tweede travee, verlicht door een raam, wordt van de vorige gescheiden door een ronde gordelboog die wordt gedragen door halfzuilen. Twee absidiolen, waarvan het halfrond wordt voorafgegaan door een korte rechte travee, openen zich in de oostelijke muur van deze travee.  Ze zijn voorzien van een halfkoepel en worden omlijst door een boog die wordt gedragen door twee zuilen met kapitelen versierd met bladwerk, vrouwenhoofden, maskers die de tong uitsteken of bollen inslikken.




















Het halfronde kooreinde met een halfkoepel  is smaller dan het koor dat eraan voorafgaat.  Twee zuilen dragen de uitlopers van de onderste gording van de ingangsboog; hun kapitelen tonen rechts twee rechtopstaande leeuwen te midden van het gebladerte, en links twee bebaarde hoofden en maskers.  De drie ramen die het halfronde schip verlichten, worden geflankeerd door zuiltjes met bladkapitelen.
















Aan weerszijden van de ingang van het kooreinde, en iets daarvoor, openen zich twee kleine absidiolen, voorafgegaan door zijbeuken met tongewelf, die aan de ene kant worden afgesloten door een blinde muur versierd met een drievoudige boogreeks op pilasters, en aan de andere kant via drie bogen die in verbinding staan met het koor.  Deze, met een eenvoudige naakte gordelboog, worden aan elke kant gedragen door twee halfzuilen en twee tussenliggende cilindrische pijlers.  In het noorden, met uitzondering van één waar leeuwen, in plaats van een derde rij bladeren, hun koppen samenbrengen onder de hoeken van de kapiteelkoppen, zijn de kapitelen ongelijke variaties op het thema van het Korinthische kapiteellichaam.In het zuiden, van oost naar west, zien we achtereenvolgens: monsters met langgerekte lichamen, die tegenover elkaar staan of met de ruggen tegen elkaar, terwijl ze in hun opgerolde staarten bijten, vogels met lange, in elkaar verstrengelde halzen en vrijliggende hoofden; bebaarde mannen die vrouwelijke gezichten omlijsten, dubbele rijen bladeren waarvan de hoekkrullen zijn vervangen door snuitdelen van monsters met puntige oren.  De talrijke overeenkomsten die zijn vastgesteld tussen deze kapitelen en die van de kerk van La Berthenoux hebben ertoe geleid dat ze aan hetzelfde atelier worden toegeschreven.




















De westgevel, geflankeerd door twee platte steunberen, is gericht op de rondboogdeur zonder timpaan, die een uitbouw herbergt die bedekt is met een lijst waarvan de uitstek wordt gedragen door modillons met hoofden.  De zuiltjes die de enige boog met een archivolt ondersteunden, versierd met dambordpatronen en vlechtwerk, zijn verdwenen.  De afgeschuinde kapitelen, die op hun plaats zijn gebleven, zijn versierd met palmetten en vlechtwerk.  Boven het grote portaal bevindt zich een groot rondboogvenster, omgeven door een doorlopende randlijst. Rechts en links zijn twee kleine ramen aangebracht die de zijbeuken verlichten; een geprofileerde band  langs hun archivolten en verbindt de hoeksteunberen met die welke, boven de uitbouw van het portaal, het centrale raam omlijsten.  Een tweede band die aan de voet van de gevel de hoeksteunberen met elkaar verbindt, loopt rond boven de archivolte van dit raam.  De hele gevel is opgetrokken uit mooi, regelmatig metselwerk, met uitzondering van het onderste deel, onder de steun van de zijramen, dat uit breuksteen bestaat. In dit gedeelte zijn gebeeldhouwde elementen met een archaïsche uitstraling ingebouwd, die waarschijnlijk hergebruikt zijn. Twee daarvan stellen worstelaars voor en dragen de inscriptie FROTO-ARDUS.  Op het reliëf rechts houden de figuren, gekleed in korte geplooide gewaden, elkaar vast, de ene bij het hoofd, de andere bij de gordel; tussen hun benen is aan de ene kant een vosachtig dier te zien en aan de andere kant een soort ingeklemd vat, boven  hun hoofden kronkelen slangen.  De figuren op het reliëf links, die nog grover zijn, grijpen elkaar bij de nek vast; achter een van hen staat een kegelvormig voorwerp van houten latten, dat wel eens een mand zou kunnen zijn, hoewel men er ook een pijlkoker in zag.  Daaronder, op een andere rechthoekige steen, zet een naar links lopende stier zijn voet op een bol en lijkt een runderhoofd in hoogreliëf waarmee ook bepaalde modillions zijn versierd. Het lijkt moeilijk om deze reliëfs aan de Karolingische periode toe te schrijven;  misschien zijn deze afkomstig  van een friezenversiering die een oudere kerk sierde, wellicht uit de 11e eeuw, die werd verwoest door Raoul de Charenton in 1156 en waarvan de delen met dikke voegen die in de noordmuur zichtbaar zijn, de overblijfselen zouden zijn.  













De buitenmuren worden bekroond door een kroonlijst met een afgeschuinde rand, ondersteund door modillons met schilfers en maskers.  In de zuidmuur zijn twee grafstenen ingebouwd: een Gallo-Romeinse met een nauwelijks herkenbare figuur, en een Merovingische met een zesarmig kruis met uitlopende armen, omgeven door een cirkel.  Een andere Romeinse grafsteen, met de naam Antonila, is ingebouwd in de muur van de noordelijke absidiool.









De vierkante klokkentoren op het kruising wordt geflankeerd door twee langwerpige massieven waarin de twee tongewelven zijn ondergebracht die de koepel ondersteunen.  De eerste verdieping is kaal; de bovenste verdieping heeft aan elke zijde vier rondboogvensters die per twee zijn gegroepeerd onder ontlastingsbogen.  Vlakke steunberen versterken de hoeken van de toren, die bekroond wordt door een paviljoendak.






De apsis en absidiolen worden gestut door steunbeer-zuilen.  De vier zuilen aan de apsis, met kapitelen die slechts in panelen zijn verdeeld, dragen grote bogen die worden ondersteund door een vijfhoekige muur, met daarboven een kroonlijst.  Bij elke absidiool rijzen daarentegen twee steunberen-zuilen op tot aan de kroonlijst.  De kapitelen, die verwant zijn aan twee uit het koor, zijn zeer rijkelijk versierd met bladeren en hoofden.  Opvallend is een van deze kapitelen, bij de kleine apsis die aan de noordzijde van de apsis grenst, waarop tien hoofden van mensen en dieren zijn afgebeeld.  Het gehele koor is het waard om van enige afstand te worden bekeken om het perfecte evenwicht van de harmonieus gegroepeerde en gelaagde volumes te kunnen waarderen.




















Bronnen.
- Jean Favière in "Berry roman"; Editions Zodiaque, 'la Nuit des Temps 32'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1980.
- François Deshoulières in "Les églises de France; Cher"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1932.



Bijlagen.

Geen opmerkingen: