Eglise Saint-Michel
te Chârost
Geschiedenis.
De patroonschap viel onder de abdij van Notre-Dame van Issoudun.
In een bul van paus Adrianus IV uit 1154 wordt het „monasterium sancti Michaelis de Carrofio“ genoemd. Hoewel het woord „monasterium“ in de middeleeuwen niet altijd de betekenis van „abdij“ had en vaak werd gebruikt om een willekeurige kerk aan te duiden, lijkt het er toch op dat er op deze plek een priorij van de abdij van Notre-Dame van Issoudun stond, aangezien dezelfde bul van Adrianus IV verklaart dat Saint-Michel van Charost onder deze abdij viel. Deze priorij werd op een onbekend tijdstip toevertrouwd aan een college van kanunniken, dat in 1454 werd samengevoegd met dat van Saint-Cyr van Issoudun.
De geschiedenis vertelt ons niets over de bouw van het gebouw, dat, gezien de architectuur, waarschijnlijk uit het midden van de 12e eeuw stamt. Vandaag de dag zien we dat de kruisbeuken van het transept verdwenen zijn. In welke periode? Op de zijtoren en onder de andere reconstructies die de verwoeste delen hebben vervangen, is het wapen van de familie Rochechouart teruggevonden, die hun landgoed in Charost in 1541 verkochten. De verwoesting kan dus niet worden toegeschreven aan de troepen van maarschalk de La Châtre, die de stad innamen en verwoestten in 1591.
Tijdens de Revolutie werd de kerk in twee zalen verdeeld; de ene voor openbare bijeenkomsten, de andere voor de productie van salpeter.
In de moderne tijd werd ten noorden van het koor een kapel gebouwd, en onfortuinlijke schilderijen hebben het heiligdom aangetast. Ook de noordelijke zijdeur werd opnieuw verbouwd en versierd met even pretentieuze als afschuwelijke beeldhouwwerken.
Plan volgens Deshoulières
Beschrijving.
De hoge vensters van dit schip zijn bovenaan de muren aangebracht om volgens de observatie het licht binnen te laten met hierboven een buitenste afdak.
De grote gebroken boog en de kleine doorgangen tussen het schip en het transept zijn niet gewijzigd geweest. De half aangebrachte zuilen van het koor en de kruising met hierbij inbegrepen de gotische reconstructies met deze van de triomfboog zijn versierd met kapitelen begiftigd met personages en tov elkaar gestelde dieren en met geribde basissen en met dubbele voetringen.
De zijgevels, met muren die ondersteund worden door hoge, platte steunberen en versierd zijn met een eenvoudige rij staafvormige kanteelversiering, zijn weinig interessant, maar hetzelfde kan niet gezegd worden van de westelijke en oostelijke gevels. De westelijke gevel, die helaas beschadigd is door het uiteenvallen van de plaatselijke rode ijzerhoudende kalksteen die door de romaanse bouwers werd gebruikt, heeft een portaal met drie rijen bogen zonder timpaan in een vooruitspringend voorportaal, een centraal raam met twee oculi en, op de gevel, een groot kruis met rankversiering en een paaslam in het midden, vergelijkbaar met dat in Avord en met die in Jussy, Mehun en Vormay.
Aan de oostkant blijft alleen de hoofdapsis over, die zeer zorgvuldig is versierd met steunzuilen die vanaf de grond tot aan de kroonlijst reiken, ramen omgeven door een doorlopende voetring - met een rij kanteelversiering die rond de archivolt loopt en zich rond de apsis ontwikkelt, waarbij de steunzuilen worden omsloten - met een blinde boog die wordt ondersteund door twee colonnetten met kapitelen versierd met dierenkoppen (katten) en gebladerte. Sporen van een dwarsschip en een absidiool zijn te zien aan de noordkant. De kapitelen van de boogreeksen, met figuren of dieren tegenover elkaar, zijn nog intact. Op een van deze kapitelen staat een merkwaardige voorstelling van een harpij met een wiel met zes spaken op zijn vleugel.
Bron.
- "Berry roman" door Jean Favière; Editions Zodiaque, la Nuit des Temps 32; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1970.
- François Deshoulières in "Les églises de France; Cher"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1932.
Bijlagen.



















































Geen opmerkingen:
Een reactie posten