Zoeken in deze blog

donderdag 20 september 2018

Eglise Saint-Hadelin te Celles (Namur)

Eglise Saint-Hadelin 
te Celles

Geschiedenis.
De kerk Saint-Hadelin te Celles werd waarschijnlijk gebouwd tussen 1030 en 1040 en vormt één van de karakteristieke voorbeelden van de Maaslandse architectuur.  Deze kapittelkerk bezat tijdens de wederopbouw in de 12de eeuw een college van 15 kanunniken.    
Opgravingen hebben sporen van een eerste bidkapel aan het licht gebracht.  Deze was waarschijnlijk opgericht door de heilige Hadelinus die een Aquitaanse volgeling was van de heilige Remaclus.  Dit oratorium opgericht in de vallei van de Lesse, werd vermoedelijk opgericht in de loop van de 7de eeuw.  Deze werd opgevolgd door een 2de bidkapel die waarschijnlijk verwoest werd door de Noormannen, tijdens hun doortocht in de streek.  In de loop van de 1ste helft van de 11de eeuw werd begonnen aan de huidige kerk.  Met uitzondering van de toren die herbouwd werd tussen 1590 en 1591, bleef de kerk in haar huidige vorm bewaard tot de 19de eeuw.


Hierna volgden een aantal restauratiewerken van 1857 tot 1859 en van 1869 tot 1871 ging de afschutting van de nevenkoren verloren.  Het interieur werd met stopkalk bezet, een nieuwe deur aangebracht aan de noordelijke zijgevel en het koorhek verstevigd.

Beschrijving.
De kerk is opgebouwd volgens een eenvoudig basicaal grondplan.  Aan de westelijke zijde bevindt zich een zware, vierkante toren die geflankeerd wordt van 2 cirkelvormige torentjes.  Deze staan voor de aanvang van het schip dat verdeeld is over 5 traveeën, met een lengte van ongeveer 20 meter.  Het weinig uitstekend transept bezit aan beide zijden, 2 absidiolen die het koor flankeren bestaande uit een halfronde apsis.  Hieronder bevindt zich een crypte, welk men eveneens kan terugvinden onder de westelijke toren.









De inrichting van het interieur beantwoordt aan wat men verstaat onder Ottoonse kerken in het Maasgebied.  Met een lengte van 20 meter is het schip onderverdeeld in 5 traveeën.  De afscheiding tussen de midden- en zijbeuken wordt gevormd door een rij van 4 vierkante pijlers zonder onderbouw met aan de bovenkant een vlakke stenen plaat ter ondersteuning van het bovenliggende muurvlak.
Het licht komt binnen via 2 rijen middelgrote vensters zonder versiering.  Het middenschip is 2 maal zo hoog en 2 maal zo breed als de zijbeuken.  De zoldering van het middenschip en viering bestaat uit een zogenaamd houten cassetteplafond.  Dit plafond is kenmerkend voor de vroegromaanse kerken.





De zijbeuken daarentegen worden overwelfd met een ribgewelf. Bij het lagere transept wordt de viering gekenmerkt door een diafragma- en een triomfboog die beide even hoog staan als het schip.  Deze steunen zich op pilasters voorzien van een impost.  De koortraveeën worden overwelfd met een tongewelf, de apsis met een halfkoepel.  De koortravee en het koor zijn verhoogd omwille van de crypte.




De versiering aan de binnenzijde is heel eenvoudig gehouden.  Het metselwerk wordt aan het oog onttrokken door een pleisterlaag waarbij de eentonigheid slechts wordt gebroken door de imposten.

  
De oostelijke crypte is gebouwd volgens een eenvoudig plan en wordt overkluisd met een kruisgewelf. Deze crypte staat als model voor de crypten uit het Maasland die behoudens enkele uitzonderingen, in de 11de eeuw voorkomen met heel weinig fantasie.
Deze crypte wordt verdeeld in 3 beuken met in de muren halve zuilen.  Het daglicht komt binnen via de kleine gaten ter hoogte van de oude begraafplaats.  Aan de oostkant bevindt zich een eenvoudig ruw gehouwen altaar dat aanvankelijk rood was beschilderd.





De westelijke partij is in feite een Karolingische uitbouw dat verkleind werd en verbouwd tot een toren.  Deze is met het schip verbonden door een muur waarin een opening werd gemaakt en op de 1ste verdieping met 2 rondboogvensters.  Deze werden in 1871 aangebracht.  De restaurateurs wilden hiermee tot een gelijkenis komen met de kerk van Hastière.  Tegenwoordig fungeert dit koorgedeelte van de westbouw als doopkapel.  De kapel is overkluisd met een natuurstenen kruisgewelf en in 1870 herbouwd in tufsteen.  De benedenruimte is overwelfd met een graatgewelf.  Opvallend is hier ook de harmonische samenhang tussen de pijlers en de rond afgedekte blindnissen.  Aan weerszijden bevinden zich de toegangsdeuren van de kleine gemetselde torens waar 2 stenen wenteltrappen leiden naar de westelijke crypte. 







Het kruisgewelf rust op 4 zware kolommen, die volgens de inscriptie in 1595, de 4 achtkantige marmeren zuilen in Ottoonse stijl hebben vervangen.  Hiervan is er nog één zichtbaar op de grond.
In de oostelijke wand bevindt zich de toegang tot een diepe nis waarvan de afmetingen exact overeenkomen met die van het reliekschrijn van Sint Hadelinus.










Aan de buitenzijde wordt het geheel in 3 duidelijk te onderscheiden gedeelten ingedeeld.  De nadruk ligt bij de westbouw welk voorzien is van 2 torentjes.  Het verdedigingskarakter van de met een spits afgedekte toren die aan weerszijde wordt geflankeerd door de 2 traptorentjes is uniek voor dit soort kerken in het Maasland.  Opvallend is het zware metselwerk in natuursteen van de kleine torentjes.  Het ware echte verdedigingstorens zoals de vele spleetvormige openingen het bewijzen.  Het is ook het oudste gedeelte van het monument waarvan de noordmuur 1,80 meter dik is.




Het schip vormt een ononderbroken geheel waarvan de voornaamste blokken met elkaar verbonden zijn.  De muren van het schip en de zijbeuken worden gelijkmatig in vakken verdeeld door een versiering met lisenen en een impost.  Dit boogtype dat eerst voorkwam bij het Ottoonse architectuur van de Sankt Pantaleonkirche te Keulen, heeft zich op een fraaie manier ontwikkeld bij de kerken van het Maasland met de trapsgewijze ligging van lisenen en bogen.






De gedeelten aan de oostzijde gaan trapsgewijs omlaag van het schip naar de absidiolen via het koor en het lage transept.








Bronnen.
- Geert Bekaert en Jean-Pierre Esther in België romaans; Uitgeverij Hadewijch; Antwerpen-Baarle 1992.
- Jean Roubier en André Courtens in Romaanse kunst in België; Uitgeverij Vokaer; Brussel 1972.
- Xavier Barrel i Altet in Belgique et Grand-Duche de Luxembourg romane; Editions Zodiaque, "la Nuit des Temps 71; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1979.

Bijlagen.

Geen opmerkingen: