Zoeken in deze blog

maandag 5 augustus 2019

Eglise saint-martin te Chapaize (Saône-et-Loire 71)

Eglise saint-martin 
te Chapaize

Geschiedenis.
De site van Chapaize was reeds bezet sedert de Oudheid, er werden reeds bourgondische en merovingische begraafplaatsen aangetroffen.  Eveneens de cultus van een fontein "Vouée aux démons", werd gekristianiseerd en herdoopt in Saint-Léger in de 7de eeuw, verklaart de stichting van een parochiekerk tijdens dezelfde periode.  Deze werd vervolgens door de heilige Maarten vervangen.  De kerk was aanvankelijk de kerk van een priorij van Saint-Pierre van Châlon.  De oprichting van de kerk begon met de doortocht van Guillaume de Volpiano in 1021 en 1023, die zich bezighield met de abdij Sainte-Marie van Chalon die in slechte staat verkeerde.  In de jaren voorgaande op zijn dood in 1031 was deze reeds abt van Dijon en belast met een 40-tal huizen en 1 200 monniken.  Deze beïnvloedde op deze manier het Lombardische door zijn herkomst en het Ottoonse door zijn familiebanden en zijn reizen.
De werken namen een aanvang tussen 1023 en 1031 en een eerste werkfase werd rond 1030 gerealiseerd met aan de binnenzijde de ronde pijlers, de muren van het schip tot bovenaan de grote boogreeksen, het onderste gedeelte van de afsluitmuren van de noordelijke zijbeuk, een gedeelte van de eerste travee van dezelfde zijbeuk, de zuidelijke helft van de gordelbogen van de noordelijke zijbeuk, en de zuidelijke zijbeuk, uitgezonderd de twee, eerste traveeën en de afsluitmuur.  Aan de buitenzijde met een gedeelte van de muur van de eerste travee van de noordelijke zijbeuk.
Deze eerste oprichtingsperiode met de oprichting van alle muren met een dikte van 99cm, opgetrokken in breuksteen en versierd met Lombardische banden, kan men nog aantreffen aan de noordwestelijke muur van de zijbeuk aantreffen.  De oprichting van het kooreinde, ontbrak nog totaal.  Men constateert eveneens een tijdelijk oponthoud in de oprichting van de muren.  Men veronderstelt dat er een tongewelf of een lagere overdekking de kerk tijdens deze eerste fase overdekte.  Een andere uitleg kan misschien gegeven worden aan het feit dat in deze periode een grote hongersnood Bourgondië trof van 1030 tot 1033.  De werken werden in de jaren 1035-1040 hernomen en men besloot om de gootmuren te verhogen om aldus voldoende lichtinval te verkrijgen.
In de jaren 1040-1050 ging men over tot het aanbrengen van het gewelf en de klokkentoren.  Aan de binnenzijde werd het hoogste gedeelte van de gootmuren doorbroken met hoge vensters, de aanzetten van het oorspronkelijke gewelf en de koepel op de kruising.  Aan de buitenzijde werd bovenaan de daken van de zijbeuken, de gootmuren van het schip opgetrokken, het parament van de gevelmuur met de centrale puntgevel en de klokkentoren.
De techniek van een overwelving in steen was reeds gekend voor Cluny II maar deze beperkte zich tot de crypte, de apsis of het portaal.  Met de abdij van Cluny II werd dit met succes rond het einde van de 10de of begin 11ste eeuw ondernomen met de overwelving van het schip met een tongewelf.  De bouwers van Chapaize overkluisden het schip met een tongewelf in de jaren 1040-1050 en werd door geen enkele steunbeer ondersteund.  Aan iedere zijde van de koepel bestaat nog steeds het spoor van de aanvang van dit tongewelf, nu verdwenen.
Eenmaal de overwelving aangebracht, begon men met de aanleg van een koepel op de kruising van het transept, volgens de Karolingische traditie en men richtte vervolgens de klokkentoren op volgens het Italiaanse model in de jaren 1050.  Dit werd bevestigd door het dendrochronologisch onderzoek uitgevoerd op de houten bulsterdelen.  Dit onderzoek bevestigde data van 1036 tot 1066. 
De vieringtoren met muren van 66 cm dikte en opgericht in kleine breuksteen, houdt 3 verdiepingen in met een versiering van Lombardische banden en boogreeksen en paarsgewijze openingen op de bovenste verdiepingen.  Het eerste niveau houdt een ingang in die uitgeeft op het dak, alsook vensters met een dubbele insprong maar minder versierd als deze op de tweede en derde verdieping.  Op het tweede niveau bevinden zich tussen de paarsgewijze openingen, beeldhouwwerken op de colonnetten met eenvoudige korinthische kapitelen, met gezichten en een personage aan de noordelijke zijde.
In de jaren 1040-1050 versterkte men de gevel met een bijkomende muur opgetrokken in klein metselverband.  Deze gevel is versierd met Lombardische boogreeksen die minder geaccentueerde hellingen als het dak vormen.  De dichtgestopte boog aan de gevel dateert eveneens van deze periode.
Een brand rond 1100 bracht de verplichting met zich mee om het parament van de zuidelijke zijgevel, de muren van de eerste twee traveeën van dezelfde zijbeuk alsook een deel van de afsluitmuur aan de zuidelijke zijbeuk te reconstrueren.  Versieringen van Lombardische boogreeksen en banden werden niet meer herdaan.
Bij het begin van de  12de eeuw vertoonde het tongewelf dat een eeuw eerder was aangebracht, gevaarlijke tekens daar hij geleidelijk aan de zuilen aan de noordelijke zijde en in het bijzonder deze naar het oosten uit elkaar duwde.  De oplossing om een gebroken tongewelf te gebruiken zoals bij Cluny III, werd te Chapaize hernomen in de jaren 1130.  En met succes want het is blijven bestaan tot de dag van vandaag.
Met de overwelvingswerken profiteerde men van de gelegenheid om andere toevoegingen aan de kerk aan te brengen.  Voor de constructie van het nieuwe gewelf, had men de verheffing van de gootmuren herdaan en had men voor een betere steun steunberen in middelmatig metselverband aangebracht.  Men bracht eveneens 4 steunberen aan om de klokkentoren te stutten en men hernam het buitenste parament van de noordelijke transeptmuur.  Op hetzelfde moment doorbrak men de grote boog aan de gevel waardoor men veronderstelt dat de kleinere tijdens deze periode werd dichtgestopt.
Het dendrochronologisch onderzoek op het hout van de deurlintelen van de gevel  bevestigen dat het hout werd gerooid in de jaren 1120 wat de toevoeging bevestigt van de deur aan de noordelijke zijbeuk in deze periode.
Na de 12de eeuw onderging de kerk nog andere wijzigingen.  Als gevolg van een brand of vrijwillig werd het kooreinde bij het begin van de 13de eeuw herdaan.  Het originele kooreinde bezat slecht nauwe vensterspleten en dit gedeelte moet opgericht geweest zijn in de eerste constructieperiode rond 1030.  Deze werd herdaan met brede, licht inspringende vensters.  Hier verbinden de gebroken bogen de apsis en de absidiolen met de 3 beuken.
Waarschijnlijk in de 14de eeuw hernam men de muur van de noordelijke zijbeuk als gevolg van een vervorming door de grote druk van het gewelf aan deze zijde en men voegde steunberen toe om het gewicht van het gewelf op te vangen.  Men hergebruikte de breukstenen van de oude muur aan de buitenste zijde van de muur.  Aan de zuidelijke zijde moesten de kloostergebouwen het gewicht en de druk opvangen wat het ontbreken van steunberen aan deze zijbeuk verklaren.
Op het einde van de 14de of begin 15de eeuw werden alle daken gewijzigd.  De ronde dakpannen werden vervangen door lavasteen.  Het verhogen van de daken van de zijbeuken met meer dan één meter, bracht met zich mee dat een deel van de vensters van de gootmuren verborgen werden. 
In 1543 werd het geschilderde decor aan de binnenzijde van de kerk uitgevoerd.  Een trap naar de klokkentoren werd in 1751 aangebracht.  In 1825 werden de vensters van het schip dichtgestopt terwijl men deze van de zijbeuken ging vergroten en in 1846 bracht men in het zuiden steunberen aan.  Een ontwerp van 1830 toont de kerk van Chapaize zonder de kloostergebouwen, zonder de steunberen aan de zuidelijke zijbeuk, een deel van de trap is er vernield en men ziet de wapens van de heren van Uxelles van de 17de eeuw op de rouwband in het koor.  Restanten van deze rouwband ziet men nog aan de gevel en in de noordelijke absidiool. 
In 1865-1867 werd een zijvenster in iedere absidiool aangebracht, in de 19de eeuw verkreeg met glasramen en werd de kerk herhaaldelijk afgekapt en opnieuw bepleisterd tijdens de 19de en de 20ste eeuw.  In 1980 maakte men de dichtgestopte bogen vrij die uitgeven op de koepel en deze van de eerste travee in de zuidelijke zijbeuk werden in 1992 vrijgemaakt.  
Met de restauratiewerken van 1992 herstelde men eveneens de daken en werd één van de steunberen in slechte staat weggehaald.  Hierbij kwamen de resten van een steunmuur van de eerste constructiefase van het schip aan het licht.


Beschrijving.
De kerk is samengesteld uit een schip van 5 traveeën en 3 beuken; een hoofdbeuk met 2 zijbeuken.  Het transept is niet uitstekend op het schip.  De koor is samengesteld met een rechte travee en beëindigt zich met een apsis overwelfd met een halfkoepel.  Twee absidiolen verlengen de zijbeuken.


Het schip is overwelfd met een licht gebroken tongewelf versterkt door gordelbogen tussen iedere travee.  De zijbeuken zijn overdekt met graatgewelven.  Iedere travee wordt eveneens gescheiden door een zware gordelboog.





  
De kruising van het transept, onder de klokkentoren dus, betreft het hoogste gedeelte aan de binnenzijde.  Deze is overwelfd met een koepel op trompen.  De rechte travee van het koor is overwelfd met een graatgewelf en de apsis en de absidiolen met een halfkoepel.







Het huidige gewelf dateert van de eerste helft van de 12de eeuw en is dus niet van dezelfde periode van de oprichting van de kerk.  Men bemerkt eveneens een lichte overhelling van de muren van het schip veroorzaakt door de slechte ondersteuning.  Het eerste gewelf van het schip betrof een tongewelf waarvan men het profiel nog kan waarnemen aan de westelijke muur van het schip.  Dit tongewelf verhief zich tot het niveau van de huidige vensters, zodoende was er geen directe lichtinval in het schip van de 11de eeuw.






De klokkentoren met een hoogte van 35 meter is de hoogste bewaard in de Bourgogne wat betreft de 11de eeuw.  De zware steunberen in het noorden als het zuiden zijn in de 12de eeuw toegevoegd.  Op het niveau van de gootklos van het schip wordt deze versierd met boogreeksen.  De hoogste verdiepingen verdelen zich in 2 niveaus van dezelfde hoogte.  Het eerste laat 3 boogreeksen tussen iedere liseen op de grootste zijde en 2 boogreeksen tussen de lisenen aan de kleinste zijde.  Het bovenste gedeelte is gescheiden in 2 andere rijen van boogreeksen en lisenen maar de bogen voegen zich in de openingen van de boogreeksen in.  Het betreft paarsgewijze bogen gescheiden door een colonnet die een gebeeldhouwd kapiteel inhoudt.  De noordelijke zijde van de klokkentoren bezit een gefigureerde colonnet die een vroege inleiding betreft van menselijke voorstellingen in het architecturale decor.











Bronnen.
- Guy Lobrichon in Bourgogne romane; Editions Stéphane Bachés; Lyon 2013.
- I. en J. Paymal in Eglises romanes de la Bourgogne du Sud; Tournus 1996.


Bijlagen.
-https://www.google.com/maps/d/u/0/viewer?hl=es&ll=46.45884209329637%2C4.6919185208389536&z=11&mid=10VQlt2Sl_920124MX6Tp42yA16k
-https://monumentum.fr/eglise-saint-martin-pa00113186.html
-https://www.pop.culture.gouv.fr/notice/merimee/PA00113186
-http://www.bourgogneromane.com/edifices/chapaize.htm
-https://bourgognemedievale.com/departement-et-pays/saone-et-loire/pays-chalonnais-entre-grosne-mont-saint-vincent/chapaize/
-https://www.wikiwand.com/fr/%C3%89glise_Saint-Martin_de_Chapaize
-https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:%C3%89glise_Saint-Martin_de_Chapaize?uselang=fr
-http://www.art-roman.net/chapaize/chapaize.htm
-https://sites.google.com/site/artromanfrance/bourgogne/chapaize-saint-martin
-https://www.romanes.com/Chapaize/Saint_Martin_de_Chapaize.html
-http://www.petit-patrimoine.com/fiche-petit-patrimoine.php?id_pp=71087_1
-https://www.monestirs.cat/monst/annex/fran/borg/cchapa.htm
-http://www.chapaize.org/Histoire_stmartin_Girard_fichiers/DGCH.pdf
-http://pormenaz.free.fr/Chapaize.php
-https://www.patrimoine-religieux.fr/eglises_edifices/71-Sa%c3%b4ne-et-Loire/71087-Chapaize/154680-EgliseSaint-Martin
-https://clochers.org/Fichiers_HTML/Accueil/Accueil_clochers/71/accueil_71087.htm
-https://www.geoportail.gouv.fr/carte
-https://photos.google.com/album/AF1QipOyPxmdCW2sG5gu8li0H3JEKi5QbqFr39moFtg6

Geen opmerkingen: