Zoeken in deze blog

maandag 5 december 2022

Eglise Saint-Georges te La Rochepot (Côte-d'Or 21)

 Eglise Saint-Georges 

te La Rochepot


Geschiedenis.
In de 12de eeuw hadden zich benedictijner monniken geïnstalleerd in de vallei, op de route van Beaune naar Autun.  Deze bescheiden priorij hing af van de grote abdij van Saint-Pierre et Saint-Prix van Flavigny en reeds bij het begin van de 14de eeuw werd het geleid door de prior van Saint-Georges van Couches, deze op zijn beurt afhankelijk van Flavigny sedert de jaren 1020.
Wat betreft het kasteel van La Rochepot of Laroche-Nolay, een naam waaronder het voor de 16de eeuw gekend was, is het voor de eerste keer vermeld rond 1128, maar er was tijdens de feodale periode een hertogelijk kasteel op deze plaats op de grens van het graafschap van Chalon.  Het kasteel dankt zijn plan en een deel van zijn muren aan Regnier Pot bij het begin van de 16de eeuw en aan zijn opvolgers van dezelfde familie die zich eveneens interesseerden in de priorij en zijn kerk.  In zijn huidige staat is het neomiddeleeuwse kasteel voor het merendeel het werk van architect Charles Suisse.


De priorij van La Rochepot schijnt nooit echt welvarend te zijn en begin 16de eeuw trokken de monniken zich terug te Couches als gevolg van een brand in 1494.  Courtépée leert ons dat in 1527 de priester van het naburige dorp van Beaubigny en zijn bewoners bezit namen van de kerk waarbij de overste het kapittel van de kathedraal van Autun werd.  In 1654 werd Saint-Georges een parochiekerk los van Beaubigny.  De priester bleef steeds geplaatst onder het patronage van Autun, zelfs toen de kanunniken van ce collegiale van Beaune belast werden met het onderhoud van de kerk.  Van de priorijgebouwen bestaat een schematisch plan van het dorp uit 1764 maar het is niet zeker dat dit plan de originele opstelling weergeeft ondanks de brand van 1494 dat een groep gebouwen voor het logement en in de vorm van een L ten westen van de kerk tot en met de Revolutie bestond. Een dichtgestopt portaal in de oostelijke travee van de noordelijke zijbeuk schijnt aan te duiden dat de kloostergang zich origineel aan deze zijde van de kerk bevond terwijl in de 19de eeuw het kerkhof zich nog steeds op de plaats van het huidige "Place de l'église" bevond.
Ondanks de statuswijziging en een weinig biedende geschiedenis biedt, bezit de kerk uit de 12de eeuw een grote interesse maar het gebouw is in zijn geheel bijna hetzelfde gebleven zelfs toen het hard gerestaureerd werd. 
Tussen 1920 en 1928 werd de muur aan de noordelijke zijbeuk verstevigd, de overdekking in lavapannen herdaan en een nieuw tongewelf in pleister in de hoofdbeuk aangebracht. 
In 1950 volgde een nieuwe campagne die in 1970 werd hernomen waarbij de versteviging van de muren werd ondernomen.  De overdekkingen van de kerk herdaan in 1966 en 1970 werden begiftigd met dakpannen in 1976.  De bezetting van de binnenste en buitenste muren werden weggenomen. 

Beschrijving.
De toren die zich verheft op de westelijke travee van de zuidelijke zijbeuk en waarvan de muren uitsteken op de hoek van het gebouw, verloor zijn spits in 1822-1823.  Deze werd in het begin van de 20ste eeuw vervangen en opnieuw in 1950.  De datering van de toren verwijst naar de ingang in accolade in de oostelijke muur en werd vermoedelijk toegevoegd in de 2de helf van de 15de eeuw.  Met uitzondering van deze toevoeging en de sacristie in 1860 stelt La Rochepot zich voor als een bescheiden constructie uit de 12de eeuw met een apsis geflankeerd van 2 absidiolen die zich op het lage en uitstekende transept openen, dat later verhoogd werd.  Op het transept dat overwelfd is met een graatgewelf, volgt een schip met zijbeuken, in het westen afgesloten door een westelijke gevel met een fronton.  

Foto uit Congrès archéologique de France; Côte-d'Or; La Rochepot

De westelijke pijlers van de kruising van het transept verraden dat de architect waarschijnlijk de bedoeling had om een vieringtoren op te richten.  Het houten dakgebinte van het schip en de kruising zouden dateren uit een periode wanneer deze toren werd vervangen door de westelijke toren.  Het houten dakgebinte als de overwelving van de kruising zijn van hetzelfde type als deze van het "Hospice de Beaune" welk dateert uit het einde van de jaren 1440.  Het is mogelijk dat de vieringtoren uit de 12de eeuw is ingestort of minstens in een erg slechte staat verkeerde die de plaatsing van de westelijke toren bespoedigde.
De originele overwelving van het schip en de zijbeuken doet vermoeden dat de hoofdbeuk overwelfd was met een tongewelf, misschien zonder vensters maar enkel vensters op de lende van het gewelf.  De gordelbogen van dit gewelf namen een aanvang boven de kapitelen die de pilasters bekronen die nu nog steeds op hun ongeveer ganse hoogte bestaan vanaf de 3de pijler van het schip terwijl zij op maat werden aangebracht en zich nu niet boven de grote boogreeksen verheffen.  De zijbeuken waren overwelfd met halve tongewelven die het gewelf van de hoofdbeuk ondersteunden.  Enkele van deze gordelbogen van deze halve tongewelven bestaan nog in de noordelijke zijbeuk.  Er bestaan trouwens nog enkele kerken in de regio die nog een gebeeldhouwd decor decor bezitten verwant met La Rochepot en waar men nog dezelfde architecturale kenmerken terugvinden zoals te Saisy en Saint-Emiland (71), Monthélie (21), Decize-lès-Maragnes (71) zoals de gecanneleerde pilasters, half tongewelf, een tongewelf zonder belichting van het schip,....  De architectuur van La Rochepot heeft aldus een kleine groep gebouwen in de regio beïnvloed en dit eveneens voor het decor.  De kerk van Curgy, nabij Autun, stelt hetzelfde type van verheffing voor zoals te La Rochepot.







Zijbeuk te La Rochepot met gordelbogen en deel half tongewelf

Foto Curgy met half tongewelf in de zijbeuk

Terwijl de buitenzijde van de kerk heel wat kenmerken bezit van de talrijke restauraties was het oorspronkelijk metselwerk gevormd met kleine, rechthoekige stenen, in lagen stenen met een bescheiden hoogte op elkaar geplaatst.  De breukstenen van de westelijke gevel zijn nog voor een groot deel verborgen in de dikke mortellaag maar het portaal bewaart nog enkele elementen van zijn decoratie uit de 12de eeuw.  Zijn 2 booglijsten boven een naakt timpaan dat waarschijnlijk beschilderd was.  Een decor van gestileerde eierlijst, bijna allemaal vernieuwd, omringd het timpaan.  Enkele elementen van 2 kapitelen zijn bewaard waarvan er één een vogel onder de voluten schuilt.  De versierde middelste steunpilaar versierd met lijstwerk in zigzag schijnt in zijn geheel te dateren uit 1877.  Aan de buitenzijde van de zuidelijke absidiool bestaat nog één originele kraagsteen.








Wat betreft het beeldhouwwerk aan de binnenzijde zou dit het resultaat zijn van verschillende campagnes maar alles wijst erop dat dit het ontwerp is van één enkele campagne.  Het gewelf in halfkoepel van de apsis verheft zich op 5 rondboogreeksen die terugvallen op 6 steunen waarvan er 4 met gladde of ineengedraaide colonnetten terwijl de 2 die de rondboog in het midden flankeren gecanneleerde pilasters zijn.  De kapitelen van deze boogreeks zijn vegetarisch en één van hen is versierd met een masker.  Speciaal is het decor van de kleine, platte schijven van de dekstukken, een motief dat men terugvindt in een ganse serie van gebouwen zoals te Cluny III maar eveneens in verschillende kerken van de volgende generatie in de Saône-et-Loire en de Côte-d'Or zoals in de kathedraal Saint-Vincent van Châlon-sur-Saône.  Dit decor werd te La Rochelle hernomen op de pijlers van de kruising en de oostelijke travee van het schip.  De kapitelen van de kruising en het schip zijn bijna allemaal gebeeldhouwd in kalksteen, in de omgeving gewonnen.  Zes kapitelen in een ruwe vorm van de kruising en de oostelijke traveeën van het schip zijn in zandsteen waarschijnlijk ook lokaal ontgonnen.  Het zou kunnen gaan om latere restauraties uit het einde van de 15de eeuw toen de vieringtoren werd afgebroken. 













De vegetarische kapitelen van La Rochepot tellen 3 groepen.  Bij de eerste zijn deze in een ruwe vorm van een kegel en begiftigd met oppervlakkige voluten.  Waarschijnlijk waren deze voorbestemd om een rijk beschilderd decor te ontvangen.  In de tweede groep zijn de kapitelen versierd met gladde bladeren zoals bij de Korinthische of met verschillende rijen van bladeren.  Een derde meer interessantere groep stelt een Y voor als een stengel in het midden en voluten.  Enkele zijn eenvoudig in een ruwe vorm, bij de andere vindt men maskers van dieren terug en zijn van het type palmet.  Deze kapitelen in een Y-vorm en met een decor van palmetten vindt men eveneens geregeld in de regio terug en precies in een reeks van kerken die verwant zijn met hun architectuur met La Rochepot zoals te Decize-lès-Maranges en Saisy.  Men kan zich afvragen o deze bescheiden kerken niet geregeld opgericht werden door groepen van steenhouwers die van het ene naar het andere dorp trokken, zich zelf niet met het decor bezighielden maar steeds dezelfde details hernamen in het domein van de architectuur als in de beeldhouwkunst, zonder zich te baseren op een gekende stijl maar hun kennis baseerden op deze van meer belangrijke gebouwen zoals te La Rochepot. 









Naast deze groep bezit de kerk van La Rochepot drie mooie gehistoriseerde kapitelen en zijn gesitueerd aan de terugval van de boogreeksen van de eerste en tweede pijlers van het schip wat het gedeelte was voor de leken.  Zou het koor van de monniken waarbij men aanneemt dat zij eveneens de kruising van het transept en de oostelijke travee van het schip bezetten, niet op een eenvoudiger manier was versierd ? Dit is geheel zeker maar men vindt nu juist de kapitelen in zandsteen daar terug die misschien restauraties kunnen zijn van het einde van de middeleeuwen.
Aan de westelijke zijde van de tweede zuidelijke pijler valt een ridder een arend aan terwijl aan de oostelijke zijde de profeet Balaam op zijn ezel is tegengehouden door een engel met een brandend zwaard.  Men heeft deze scene geregeld vergeleken met de kapitelen van Saint-Lazaire van Autun en Saint-Andoche van Seaulieu maar de gelijkenissen zijn enkel van een iconografische orde.  De scene van Balaam op zijn ezel bevindt zich eveneens in de bijbel van Saint-Bénigne van Dijon die men kan dateren uit het tweede kwart van de 12de eeuw en de iconografische trekken van deze scene zijn vergelijkbaar.





Tenslotte is de Aanbidding voorgesteld op de oostelijke zijde van de eerste pijler, aan de noordzijde terwijl links een vrouw schijnt te rusten met haar hand het hoofd ondersteund.  Raymond Oursel zou deze geïnterpreteerd hebben als een voorstelling van de Maagd in slaap. 


Deze drie beeldhouwwerken weerspiegelen dezelfde relatie zowel op het iconografisch als stilistisch plan, met de grote werkplaatsen van Cluny en Autun als de kapitelen gebeeldhouwd door de Meester van Tobie, "le Maître de Tobie", zoals men hem over het algemeen vermeld voor de tribunes van het voorschip van Vézelay.  Rond 1140-1150 hebben verschillende beeldhouwers gewerkt  in de hogere delen van dit voorschip.  Zij hernemen allen met verschillende accenten, de technieken van de beeldhouwateliers van 3 of 4 decennia voordien maar het gaat op geen enkele manier om eenvoudige imitators en hun ontwerpen getuigen geregeld van een grote originaliteit.  De Meester van La Rochepot moet ook beschouwd worden als een originele beeldhouwer. 
Het enige andere romaanse beeldhouwwerk in de kerk betreft een wijwaterbekken.  Deze iwas ingewerkt in de muren van een graanschuur in het dorp en ondanks zijn staat, kan men in het hoofd met baard de directe banden met de beeldhouwwerk van het mausoleum van Saint-Lazaire van Autun.
Wat betreft de datering van de constructie van de romaanse kerk te La Rochepot zou men kunnen suggereren tussen de data van 1140-1150 dankzij de vergelijkingen met de oudste kapitelen van de Notre-Dame van Beaune, met de beeldhouwwerken van de westelijke pijlers van het schip van de kathedraal van Châlon-sur-Saône, en met de tribunes van het voorschip te Vézelay.  

Bronnen.
- Neil Stratford in "Congrès archéologique de France, 152e session, Côte-d'Or; Musée des Monuments Français; Paris 1997.
- Raymond Ourcel in "Bourgogne romane"; Editions de Zodiaque, 'la Nuits des Temps 1'; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vîre 1986.
- Guy Lobrichon in "Bourgogne romane"; Editions Stéphane Bachès; Lyon 2013.

Bijlagen.

Geen opmerkingen: