Eglise Saint-Aubin
te Courbillac
Beschrijving.
Deze kerk, die onder het voormalige bisdom Saintes viel, dateert uit het derde derde deel van de 12e eeuw. Het schip bestaat uit drie door zuilen gescheiden traveeën, waarvan de kapitelen, versierd met knoppen, worden bekroond door dekstukken, geprofileerd met een band op een hollijst, die als kordonlijst doorlopen onder het oude tongewelf.
Momenteel wordt de kerk overwelfd door drie traveeën met graatgewelven van baksteen, aan weerszijden voorzien van smalle ramen, met de toegang tot de trap aan de noordoostzijde. Het smallere viering, met daarboven de klokkentoren, wordt overdekt door een elliptische koepel op pendentieven, waarvan de ronding wordt voortgezet door die van de gordingen van de grote spitsbogen. Deze rijzen op uit pilasters die worden versterkt door zuilen met kapitelen en basissen die bestaan uit een hollijst tussen twee ongelijke voetringen. Deze basissen rusten op sokkels die overgaan in banken langs de muren; die twee ramen bezit die voor verlichting zorgen. Het bredere kooreinde met vlakke achterwand dateert uit de 15e eeuw. Deze is overwelfd met kruisribben die uitmonden in een mooie sleutel met wapenschild, en die uitgaan van een bundel prismatische zuilen die door de ribben worden doordrongen. Een raam verlicht het koor aan de zuidzijde en een aan de oostzijde, met raamstijlen en een cirkelvormig roosvenster.
De 17e-eeuwse gevel heeft een portaal met twee gordingen en een verhoogd timpaan in rondboog, dat wordt gedragen door twee zuilen kapitelen versierd met gebladerte. De steunberen van de zijmuren van het schip zijn klein, die van de valse viering zijn groter. Ze lopen schuin af bij de hoeken van het koor. De ramen van het schip worden omlijst door een boog met zuiltjes. De kroonlijst wordt gedragen door naakte kraagstenen. De rechthoekige klokkentoren heeft aan zijn sokkel vergelijkbare ramen dan deze van het schip. De eerste verdieping, met een insprong op een naakte cordonlijst, bezit drie vensters op steunen tussen twee zuilen. De tweede verdieping, die begint bij een cordonlijst met grote staafvormige kanteelversiering, heeft aan deze zijden eveneens twee raamopeningen in één gordig, met een cirkelvormig cordonlijst dat doorloopt tot aan de hoeken. Ten slotte wordt de toren bekroond door een laag vierzijdig dak.
Bron.
- Jean George in "Les églises de France; Charente"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1933.













Geen opmerkingen:
Een reactie posten