Eglise Saint-Patrocle
te La Celle
Beschrijving.
Een parochie van het voormalige bisdom Bourges. Gebouw op de plek waar volgens Gregorius van Tours de heilige Patroclus zich in het midden van de 6e eeuw van de wereld zou hebben afgezonderd, nadat hij het klooster van Néris had gesticht; het viel eerst onder de prior van Colombier en vervolgens onder die van Souvigny, aan wie paus Eugenius II het in 1152 bevestigde.
De huidige kerk dateert in zijn geheel uit het einde van de 11e of het begin van de 12e eeuw, waarbij het schip aan het einde van de romaanse periode werd verbouwd. Dit schip, met vier traveeën en zonder zijbeuken, sluit in het oosten aan op een smaller koor dat eindigt in een kleine halfronde apsis.
Aan elke zijmuur is een kapel uit de 15e eeuw aangebouwd. De koorafsluiting is niet tijdens dezelfde bouwperiode ontstaan, zoals blijkt uit de aanwezigheid van drie onregelmatige uitsteeksels aan de binnenkant, op de kruising van de apsis en het koor. Het koor, dat een tongewelf heeft, is in het onderste deel van elk van de zijmuren voorzien van twee blinde rondbogen die in het midden rusten op een zuil voorzien van een voetring aan de basis en een naakte kapiteel, met daarboven een zeer hoge afgeschuinde dekstuk; daarboven bevonden zich smalle ramen, die gedeeltelijk verdwenen zijn. Deze muren lijken toe te behoren tot een gebouw uit de 11e eeuw, dat ouder is dan de huidige kerk.
De rondboog die de ingang van het schip markeert, werd aan het einde van de romaanse periode verdubbeld met een smallere spitsboog. In dezelfde periode werd het schip aan de binnenkant herbouwd, waarbij tegen de zijmuren kolommen werden geplaatst om de gordelbogen van het gebroken gewelf te ondersteunen; de basissen van deze kolommen zijn omgeven door klauwen en de kapiteellichamen van de kapitelen zijn voorzien van knoppen.
Zeer smalle rondboogvensters, aan de binnenkant breed uitlopend en afkomstig uit het oorspronkelijke gebouw, zijn bewaard gebleven in de muren van het schip en de apsis.
De zuidelijke zijkapel heeft een kruisgewelf, terwijl de noordelijke zijkapel een gewelf met prismatische ribben heeft. De sluitsteen is voorzien van een wapenschild met een uitkomende leeuw.
De hoofdingang, uit het begin van de 13e eeuw, dat geen timpaan bezit, is gebroken en wordt omlijst door twee scherpe booglijsten die worden gedragen door zuiltjes met bladkapitelen, die sterk zijn aangetast. De buitenmuren zijn onversierd; alleen enkele modillons met ruwe hoofden of bladeren onder de kroonlijst van de apsis zijn het vermelden waard.
De klokkentoren boven het koor uit de 12e eeuw heeft een achthoekige verdieping die door middel van schuine vlakken verbonden is met een vierkante basis en aan elke zijde twee rondboogvensters heeft die gescheiden zijn door een zuil die tegen een pilaster rust. De houten spits die de toren bekroonde, werd in 1930 door een storm vernield, maar in 1933 door de dienst Monumentenzorg weer hersteld.
Het enige opmerkelijke versierstuk is een ronde, onversierde romaans wijwaterbekken, die als doopvont dient.
Bron.
- Marcel Génermont en Pierre Pradel in "Les églises de France; Allier"; Librairie Letouzey et Ané; Paris 1938.
Bijlagen.


































































